20 - Cambrische explosie
In de aardlagen die ouder zijn dan het zogenaamde Cambrium (naar men aanneemt ca. 488 - 542 miljoen jaar geleden), vindt men uitsluitend microfossielen. In het Cambrium zelf duiken dan plotseling zeer complexe organismen op. De aanname, dat eencellige en meercellige organismen (planten en dieren) gemeenschappelijke voorouders hebben, wordt door het fossielenverslag niet ondersteund, maar juist tegengesproken. Dit probleem is algemeen bekend. Omdat de „hogere” organismen „explosief” en zonder voorlopers (!) verschijnen, spreekt men in vakkringen van de „Cambrische explosie”.
De onderste aardlagen die duidelijk fossielen bevatten, noemt men het Cambrium. Met de uitdrukking cambrische explosie bedoelt men het plotseling verschijnen van vele nieuwe structuren, naar men zegt ongeveer 530 miljoen jaar geleden.(18)
Nu is het echter zo dat 87% van alle soorten (planten en dieren) die in hoger gelegen lagen voorkomen, ook al in het cambrium aanwezig zijn. Slechts de gewervelde dieren, de mosdiertjes, evenals de insecten, verschijnen pas in hogere aardlagen (het Ordovicium of Devoon). In de aardlagen die onder het Cambrium liggen, komt echter nauwelijks een onbetwist hoger fossiel voor. Dus is er geen enkele fossiele aanwijzing dat de organismen, die in de cambrische explosie verschijnen, gemeenschappelijke voorouders hebben.
Binnen de (volgens de evolutietheorie) enorm korte tijd van naar men zegt 5 tot 10 miljoen jaar zouden minstens 19 tot 35 nieuwe stammen (van totaal 40) voor de eerste maal op aarde verschenen zijn.(19), (20) Vele nieuwe substammen (tussen 3232 en 48 van totaal 56) en klassen van dieren zijn eveneens voor het eerst in deze lagen aanwezig. Alle vertegenwoordigers van deze stammen hebben belangrijke morphologische bijzonderheden. In het vroegere Ediacarium (vroeger genoemd Vendium) of in de precambrische fauna ontbreken in bijna alle gevallen de, volgens de evolutietheorie te verwachten, morphologische voorouders.(21)
Nieuwe ontdekkingen en analyses tonen, dat deze morphologische hiaten niet simpelweg op een onvolledige fossielgeschiedenis zijn terug te voeren.(22) Omdat men aanneemt dat de fossielgeschiedenis wel betrouwbaar is, vraagt men zich af hoe deze waarneming met de strikt monophyletische visie (één enkele stamboom) van de evolutie overeenstemt.(23)
Snelle of langzame „ontsteker”
Degenen die menen dat de fossielen een betrouwbaar beeld van het ontstaan van zogenaamde Metazoa geven, neigen tot de opvatting, dat deze dieren relatief snel ontstaan zijn - dat de cambrische explosie dus een zogenaamde „snelle ontsteker” gehad heeft.(24) Sommige, (25) maar niet allen,(26) die denken, dat de stambomen opgesteld vanuit de moleculaire samenstelling van DNA en eiwitten betrouwbaardere vertakkingstijden van de precambrische voorouders leveren, geloven dat de cambrische dieren zich over een zeer lange tijdsperiode ontwikkelden en dat de cambrische explosie daarom een „langzame ontsteker” had.
Over het kernprobleem van de cambrische explosie uitte zich Ernst Mayr, de in 2005 overleden hoofdvertegenwoordiger van de moderne synthetische evolutietheorie, als volgt:(27)
„Bijna alle [...] soorten duiken reeds in volledig ontwikkelde vorm op aan het einde van het precambrium en aan het begin van het cambrium, dat betekent ongeveer 565 tot 530 miljoen jaren geleden. Men heeft geen fossielen gevonden, die tussen hen staan, en ook tegenwoordig bestaan zulke tussenvormen niet. De soorten schijnen dus door onoverbrugbare leemten gescheiden te zijn.“
(18) Junker und Scherer, Evolution, ein kritisches Lehrbuch, Weyel, 2006, S. 227.
(19) Ernst Meyer et al., DNA and the origin of life: information, specification and explanation, in J.A. Campbell und S.C. Meyer’s, Darwinism, design and public education, Michigan State University Press, 2003, p. 223223223 – 285, http://www.discovery.org/scripts/viewDB/index.php?command=view&id=2177
(20) S.A. Bowring, J.P. Grotzinger, C.E. Isachsen, A.H. Knoll, S.M. Pelechaty und P. Kolosov, Calibrating rates of early Cambrian evolution, Science 261, 3. September 1993, p. 1293 – 1298.
(21) G.L.G. Miklos, Emergence of organizational complexities during metazoan evolution: perspectives from molecular biology, palaeontology and neo-Darwinism, Mem. Ass. Australas. Palaeontols 15, 1993, p. 7 – 41.
(22) M. Foote, Sampling, taxonomic description and our evolving knowledge of morphological diversity, Paleobiology 23, 1997, p. 181 – 206.
(23) Simon Conway Morris, The question of metazoan monophyly and the fossil record, Progress in Molecular and Subcellular Biology 21, 1998, p. 1 – 9.
(24) Simon Conway Morris, Cambrian “explosion” of metazoans and molecular biology: would Darwin be satisfied?, International Journal of Developmental
Biology 47, 2003, p. 505 – 515.
(25) Gregory A. Wray, Jeffrey S. Levinton und Leo H. Shapiro, Molecular Evidence
for Deep Precambrian Divergences Among Metazoan Phyla, Science 274, 25. Oktober 1996, p. 568 – 573.
(26) Francisco José Ayala, Andrey Rzhetsky und Francisco J. Ayala, Origin of the metazoan phyla: molecular clocks confirm paleontological estimates, Proc Natl Acad Sci USA 95, 20. Januar 1998, p. 606 – 611.
(27) Ernst Mayr, Das ist Evolution, 3.A, München, 2003, S. 74.
Terug naar het overzicht
|