Home stellingen 19 - Missing links
Creatie.info | dinsdag 22 mei 2012
 
 
 

19 - Missing links


Ook na een intensieve zoektocht van 150 jaar zijn de vereiste overgangen van vissen naar amfibieën, van amfibieën naar reptielen en van reptielen naar vogels niet gevonden in de fossielen. Vergelijkingen van de „amfibie-achtige vissen” (Coelacanth/ Periophthalmus) en de „visachtige amfibieën” (Ichthyostega) tonen bovendien, dat bij complexe essentiële kenmerken, zoals de bouw van de tetrapodenextremiteiten (poten van viervoetige landwezens) of de bouw van het schedelgedeelte rond de hersenen, evolutionaire tussenvormen nauwelijks zijn voor te stellen. Voor de overgang tussen reptielen en vogels houdt men hardnekkig vol dat de Archaeopteryx een overgangsvorm zou zijn, hoewel het tegenwoordig bewezen is dat hij voor honderd procent een vogel was, gevederd, warmbloedig en met een speciaal ontworpen vogellong.

Tussen de verschillende ordes, families en soorten van ons bekende en in de fossielen overgeleverde organismen, bestaat geen enkele (!) onbetwiste overgangsvorm (missing link). Tussen al deze groepen zou men volgens de evolutietheorie ontelbare tussenvormen, die meerdere essentiële kenmerken van beide soorten in zich verenigen, verwachten te vinden. Als mogelijke overgangsvormen werden in het verleden enkele soorten voorgesteld, die echter na grondig onderzoek allen moesten worden verworpen. (9), (10), (11)

De kwastvinnige (Crossopterygii)

Lang heeft men gedacht dat de als fossiel gevonden kwastvinnige een overgangsvorm tussen vissen en amfibieën zou zijn. Deze vis beschikt over vinnen met een versterkte spierbevestiging. Men ging ervan uit dat hij met deze vinnen over de zeebodem had gelopen. Halverwege de vorige eeuw werden deze vissen levend in de Indische Oceaan gevonden. Dag en nacht heeft men deze dieren geobserveerd en hierbij bleek dat zij hun versterkte vinnen gebruiken om zich in het water op te richten en loodrecht met de kop naar boven en de borst naar voren te zwemmen. Hierover is in bijna geen enkel schoolboek iets te lezen.

Wanneer men de kwastvinnige observeert (bijvoorbeeld dit levende fossiel, de Coelacanth Latimeria), wordt duidelijk, dat het onmiskenbaar een vis is. Daarbij komt dat hij met ca. één meter lengte een verhoudingsgewijs grote vis is. Dat uitgerekend deze grote vis een overgangsvorm tussen vis en amfibie zou zijn, lijkt niet erg geloofwaardig. Bovendien houdt hij zich op grote diepte in de zeeën op en van één of ander begin van vorming van longen is niets te ontdekken.

De Archaeopteryx

Sinds de ontdekking van de Archaeopteryx in de jaren zestig van de negentiende eeuw werd de stamboom van de vogels hevig bediscussieerd.(12) Daarbij stond dikwijls de vraag centraal hoe het vliegvermogen zou zijn ontstaan. In het bijzonder met betrekking tot zijn vermoedelijke afstamming van de tweebenige lopende dinosauriërs (theropoden, bijvoorbeeld Compsognathus; naar latere zienswijze thecodonten).(13)

Zich baserend op de vroege anatomisch-morphologische studies die de bioloog Thomas Huxley nog in de negentiende eeuw maakte, werd deze denkwijze tot in het jongste verleden herhaaldelijk door taxonomen of paleozoölogen naar voren gebracht. Een ontwikkeling van goed vliegvermogen afgeleid van theropoden wordt echter betwijfeld.(14)

Weliswaar sluit ook de paleoornitholoog Alan Feduccia nog steeds een afstamming van de vogels van sauriërs (boombewonende soorten, in staat tot vliegen of zweven) in principe niet uit.(15) Echter elkaar tegensprekende bevindingen, bijvoorbeeld over de bouw van morphologische structuren (vogelhandgebeente), bemoeilijken een eenduidige stamboom. Aan de hand van het bekende fossiele materiaal is in de verste verte geen voorloper-dinosauriër te vinden die als stamvader voor alle vogels zou kunnen gelden.

Het feit dat men steeds weer deze omstreden theorie als voorbeeld neemt voor tussenvormen in het algemeen, maakt duidelijk hoe slecht het gesteld is met het aantal bekende tussenvormen. Hierbij moet men bedenken dat de ontwikkeling van vleugels, die in staat zijn om te vliegen, een heel speciaal probleem oplevert voor het denkbeeld van een, over vele generaties voortschrijdende, evolutie: Vleugels met veren, een vogelhart en een vogellong bieden het levende wezen alleen dan een voordeel, indien zij allen volledig gevormd en functionerend zijn.

De slang

De stamboom van slangen, als ze er al is, is vanuit het fossielenarchief slechts zeer onvolledig. Onder vaklieden is de evolutie van de huidige slang een fenomeen, dat zich slechts door veel speculaties laat verklaren.(16)

De slijkspringer (Periophthalmus)

Op het eerste gezicht zou men de slijkspringer voor een overgangsvorm tussen vis en amfibie houden. Er is echter nauwelijks een gerenommeerde evolutieonderzoeker die dit gelooft. Ondanks de amfibische levenswijze tonen de kieuwademhaling en de vinnen aan, dat zij tot de vissen behoren. De kieuwholte is bij de slijkspringer slechts door een nauwe kieuwspleet met de buitenwereld verbonden, waardoor het uitdrogen van het tere ademhalingsorgaan verhinderd wordt. Door lucht te happen kunnen zij het zuurstofgehalte van een zeewatervoorraad in de vergrootte kieuwruimte op peil houden.(17)

(9) Helmut Schneider, Natura, Biologie für Gymnasien, 7. bis 10. Schuljahr, Band 2, Lehrerband Teil B, Ernst Klett Verlag, 2006, S. 257.
(10) Horst Bayrhuber & Ulrich Kull, Linder Biologie, Lehrbuch für die Oberstufe, 21. neu bearbeitete Auflage, Schroedel Verlag GmbH, Hannover, 1998, S. 418, 430, 432.
(11) Ulrich Weber, Biologie Oberstufe, Gesamtband, Cornelsen Verlag, 2001, S. 294 – 295.
(12) Helmut Schneider, Natura, Biologie für Gymnasien, 7. bis 10. Schuljahr, Band 2, Lehrerband Teil B, Ernst Klett Verlag, 2006, S. 261.
(13) G. Heilmann, The origin of birds, London, Witherby, 1926.
(14) R.T. Bakker, Dinosaur renaissance, Scientific American, 232, 1975, p. 58 – 78.
(15) Alan Feduccia, The problem of birds origin and avian evolution, Journal Ornithology, 142, Sonderheft 1139 – 1147, (Studium Integrale, Mai 2002, p. 37 – 40).
(16) Colbert et al., Evolution of the vertebrates: A history of the backboned animals through time, 5th ed., New York: Wiley-Liss, 2001.
(17) P.K.L. Ng und N. Sivasothi, A Guide to the Mangroves of Singapore 1, Singapore Science Centre, 1999, p. 138 – 139.



Terug naar het overzicht

 
   
     

 
© 2012 Creatie.info
Joomla! is Free Software released under the GNU General Public License.