08 - Drosophila melanogaster
Het fruitvliegje Drosophila melanogaster wordt sinds 1908 als modelorganisme voor de genetica gebruikt. Meer dan 3000 mutaties zijn tot op heden voor deze soort beschreven. Tot op heden is echter nog nooit een ontwikkeling tot een nieuw voordelig bouwplan vastgesteld.
Sinds meer dan 100 jaar gebruiken biologen het kleine fruitvliegje Drosophila en ze hebben er intussen duizenden experimenten mee uitgevoerd om te onderzoeken hoe eigenschappen overerven.(33) In het practicum proberen biologiestudenten nieuwe varianten te kweken, door verschillende fruitvliegsoorten met elkaar te kruisen.
Er zijn al duizenden publicaties over het fruitvliegje. Het is het meest gebruikte schepsel om de evolutiegenetica te onderzoeken. Men gebruikt het, omdat het genetisch eenvoudig is opgebouwd en in het laboratorium gemakkelijk kan worden geteeld. Bovendien heeft het maar vier paren, eenvoudig waar te nemen chromosomen, met „slechts” 13.000 genen. In maart 2000 was het volledige genoom van het vruchtvliegje in kaart gebracht.(34)
Kunstmatig verwekte mutaties
In het laboratorium is men met röntgenstraling in staat kunstmatig mutaties te veroorzaken. Op deze wijze zijn bijvoorbeeld abnormale vleugelvormen, kleurige ogen, enzovoorts ontstaan. Maar ondanks ontelbare mutaties en intelligente menselijke selectie is er nooit een nieuwe levensvorm ontstaan. De evolutionist Pierre-P. Grassé moest vaststellen: „De fruitvlieg, het meest geliefde onderzoeksobject van genetici, waarvan men de geografische, stedelijke en landelijke soorten door en door kent, schijnt sinds de oertijd dezelfde te zijn gebleven”.(35)
Aanpassing aan een droger klimaat
Ary Hoffmann is directeur van het centrum voor omgevingsstress en aanpassingsonderzoek aan de La Trobe Universiteit in Melbourne (Australië). Hij wilde weten of de Australische fruitvlieg (Drosophila birchii) zich kan aanpassen aan een droger klimaat. In diverse experimenten werd een groep vliegen aan een zeer droge omstandigheden blootgesteld, zodat 90 % van hen stierven. De overlevenden heeft hij verder gekweekt en nogmaals aan de droogte blootgesteld, tot wederom 90 % van hen stierven.
Dit heeft hij gedurende meer dan 30 generaties herhaald. De verwachting, dat deze vliegen zich aan een een steeds droger klimaat zouden kunnen aanpassen, werd echter niet vervuld.(36) Hoffmann en zijn team zijn tamelijk snel op de grenzen van het aanpassingsvermogen van deze vliegensoort gestoten. Indien het tropische klimaat, waarin zich deze vruchtvliegen ophouden, werkelijk droger zou worden, dan mag men ervan uitgaan, dat zij zullen uitsterven.
(33) Sherwin, Frank, Fruit Flies in the Face of Macroevolution, Acts and Facts 35/1, Januar 2006, p. 5.
(34) Mark D. Adams et al., The Genome Sequence of Drosophila melanogaster, Science 287, 24. März 2000, p. 2185 – 2195.
(35) Pierre-P. Grassé, Evolution of living Organismens, New York: Acad. Press, 1977, p. 130.
(36) Terry Lane und Ary Hoffmann in Radio National, The International Interest, http://www.abc.net.au/rn/talks/natint/stories/s911112.htm
Terug naar het overzicht
|