|
ProGenesis - 95 Stellingen tegen de evolutietheorie
Wetenschappelijke kritiek op het naturalistische wereldbeeld
Inhoudsopgaaf Voorwoord bij de Nederlandse uitgave Voorwoord Inleiding Biologie (1 - 16)
Geologie en paleontologie (17 - 31)
Chemische evolutie (32 - 40)
Radiometrie en geofysica (41 - 51)
Kosmologie en oerknaltheorie (52 - 64)
Filosofie (65 - 75)
Informatietheorie (76 - 83)
Mens en cultuur (84 - 95)
Slotverklaring
Nawoord
Radiometrie en geofysica
Om de ouderdom van bepaalde steenlagen of organische monsters te bepalen, gebruikt men heel vaak de radiometrische meetmethoden. Daarbij wordt het gegeven gebruikt, dat veel materialen die moeten worden onderzocht, instabiele (radioactieve) isotopen bevatten of bevat zouden kunnen hebben.
De meeste isotopen zijn van nature instabiel, dat betekent dat zij vroeg of laat tot andere isotopen vervallen. Indien men de verhouding van dochter- tot moederisotoop meet, kan men op basis van de halfwaardetijd(1) van het moederisotoop conclusies over de radiometrische ouderdom van het betreffende monster trekken. Bovendien laat de straling die bij zulke vervalprocessen vrij komt, ten dele zichtbare stralingsschade (stralingspatronen en/of splijtingssporen) achter, die eveneens geïnterpreteerd kunnen worden.
Om radiometrische metingen te kunnen gebruiken, moeten drie dingen worden aangenomen:
a) De halfwaardetijd moet tijdens de gehele vervaltijd constant gebleven zijn.
b) Er mogen geen moeder- of dochterisotopen ontwijken of toegevoegd worden.
c) De omstandigheden bij het begin moeten bekend zijn.
Aan de hand van de omstandigheden bij het begin, die onder c) vereist worden, kan voor voor de meeste geologische lagen een radiometrische ouderdom van vele miljoenen jaren berekend worden. Men krijgt echter systematische afwijkingen, indien hetzelfde materiaal met verschillende meetmethoden geanalyseerd wordt. Enige
Omdat een groot deel van de niet-radiometrische ouderdomsbepalingsmethoden uit de geologie, paleontologie en geofysica een factor van enkele tientallen lagere ouderdomswaarde levert (!), moeten de resultaten van de conventioneel geïnterpreteerde radiometrie kritisch onder de loep genomen worden.
Hoe groot de fouten op dit gebied van de wetenschap zijn, toont de aantoonbaar 200 jaar oude lava op Hawaii, die volgens de radiometrische meetmethode een leeftijd heeft van enkele miljoenen jaren.(2), (3)
(1) De halfwaardetijd is de tijdsduur, die nodig is, tot van een bepaald radioactief materiaal de helft vervallen is. bevindingen geven een indicatie, dat op onze aarde tenminste tijdelijk een versneld radioactief verval zou hebben plaatsgevonden, zodat aan voorwaarde a) niet wordt voldaan.
(2) G.B. Dalrymple, The Age of the Earth, Stanford University Press, 1991, p. 91.
(3) Andrew A. Snelling, „Excess Argon”: The „Achillies’ Heel” of Potassium-Argon and Argon-Argon „Dating” of Volcanic Rocks, Institute for Creation Research, 1999, http://www.icr.org/article/excess-argon-achillies-heel-potassium-
argon-dating
| ^ | | ^ |
|---|
Afhankelijk van de mate waarin gesteente meer dan één instabiel (radioactief) isotoop bevat, kunnen verschillende radiometrische methoden om de ouderdom te bepalen worden toegepast. In de regel wordt (vanwege de kosten) slechts één enkele methode toegepast. Wordt echter hetzelfde gesteente met verschillende methoden gemeten, dan kan men heel vaak aanzienlijke en systematische afwijkingen vaststellen. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Met een moderne Accelerator Mass Spectrometer (AMS) is het mogelijk maximaal 90.000 jaar oude koolstof (grafiet, marmer, antraciet en diamanten) te analyseren. Men heeft echter tot op heden geen enkel materiaal gevonden, waarvan de radiometrische leeftijd hoger was dan 71.000 jaar. Deze voor de conventionele wetenschap veel te lage ouderdomsmetingen worden toegeschreven aan verontreinigingen. Men kon echter ondanks grote inspanning deze verontreinigingen niet aantonen. Bovendien is het denkbaar, dat de oeratmosfeer van de aarde minder radioactieve koolstof (C-14) bevatte. Zou dit het geval zijn, dan zijn de onderzochte materialen nog jonger. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Zirkoonkristallen vindt men wereldwijd in het graniet. Deze kristallen bevatten ten dele ook een beetje uranium, dat radioactief vervalt, waarbij helium en lood (beiden stabiele elementen) ontstaan. Op basis van de actueel aanwezige hoeveelheid helium en de snelheid, waarmee het gestaag ontsnapt (diffusiesnelheid), kan men de ouderdom van de kristallen berekenen. Interessant is dat men in steenlagen, die zogenaamd miljarden jaren oud zijn, zirkonen vindt die volgens het heliumgehalte waarschijnlijk slechts 4.000 tot 8.000 jaar oud zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Bij de radiometrische ouderdomsbepaling van gesteenten wordt vaak het gehalte van uranium-238 en lood-206 gemeten. De halfwaardetijd, waarin het uranium-238 tot lood-206 vervalt, bedraagt 4,46 miljard jaar. Na 4,5 miljard jaar (de zogenaamde leeftijd van de aarde) zou dus minstens evenveel lood als uranium in het aardoppervlak aanwezig moeten zijn. In werkelijkheid vindt men echter meer lood dan uranium. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Indien men de bekende radioactieve materialen tot op plasmatemperaturen verhit, dan daalt bijvoorbeeld de halfwaardetijd van uranium-238 van 4,5 miljard jaar naar 2,08 minuten. Deze eigenschap betekent een extra onzekerheidsfactor bij de radiometrische ouderdomsbepaling. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De veel voorkomende uranium en polonium stralingspatronen in het graniet van het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 542 tot 251miljoen jaar geleden) verwijzen naar één of meer fasen van voorbijgaand versneld radioactief verval. Zo kunnen de resultaten van de radiometrische meetmethoden (ook de splijtingsspoor methode) heel goed in het model van een jonge aarde verklaard worden. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In het binnenste van de aarde vinden radioactieve vervalprocessen plaats die helium en warmte produceren. De uittredende hoeveelheid helium is echter slechts 4%, van wat men op basis van de uittredende warmte mag verwachten. Een mogelijke verklaring voor deze tegenstrijdigheid is, dat het grootste gedeelte van de helium in de binnenste van de aarde zou achterblijven. Een andere mogelijkheid is, dat de aarde uit de ontstaanstijd nog een grote warmtevoorraad in zich heeft (hetgeen betekent, dat niet alle warmte door radioactief verval ontstaat). Beide mogelijkheden zijn nauwelijks met het model van een oude aarde in overeenstemming te brengen. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Net als de zon hebben de meeste planeten een eigen magneetveld. Afhankelijk van de ontstaanstheorie verwacht men dat deze magneetvelden een korte of langere levensduur hebben. Bij metingen van de sterkte van het aardmagneetveld heeft men gedurende de laatste 170 jaar een gestage afname vastgesteld. Op basis van deze metingen kan de ouderdom van het aardmagneetveld op minder dan 10.000 jaar geschat worden. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Ondanks langdurige regentijden (pluviale) in het Kwartair (dat naar men zegt 2,6 miljoen jaar geleden begonnen zou zijn) verheft bijvoorbeeld de zoutberg Kuh-e-Namak in Centraal Iran zich meer dan 300 meter boven het aardoppervlak. Indien deze zoutberg slechts bij benadering zo oud zou zijn, zoals officieel geschat wordt, dan zou deze allang opgelost moeten zijn. Een andere omstandigheid is het zout van zoutvoorraden dat wegspoelt naar de zee en er zo aan bijdraagt, dat het zoutgehalte van de oceanen langzaam toeneemt. Meet men de aan- en afvoer van zout in de wereldzeeën, dan komt men tot de conclusie dat de tegenwoordige processen sedert maximaal 62 miljoen jaar kunnen hebben plaatsgevonden. Bij deze berekening is men uitgegaan van de onrealistische aanname dat er oorspronkelijk geen zout zat in de wereldzeeën. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Nikkelerts behoort tot de stoffen die door het rivierwater naar zee afgevoerd worden. Aan de hand van de hoeveelheid nikkel, die jaarlijks instroomt en het huidige totale nikkelgehalte van de oceanen kan men conclusies trekken over de ouderdom van de zeeën. Daarbij stelt men vast dat uitgaande van de tegenwoordige processen het maximaal 300.000 jaar geduurd heeft, om het huidige nikkelgehalte te verkrijgen. Aangezien er geen mechanisme bekend is dat nikkel uit het zeewater verwijdert, is het onrealistische ervan uit te gaan dat onze oceanen vele miljoenen jaren oud zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De bewering dat er lange tijdsperioden nodig zijn, voor de vorming van olie, steenkool of versteend hout, is achterhaald. Een snel ontstaan van olie wordt al enige tijd experimenteel onderzocht en in 2006 werd bekend, dat kool onder gunstige omstandigheden in één nacht kan ontstaan. Voor het verstenen van hout zijn enkele jaren geleden al patenten aangevraagd. Versteend hout wordt bijvoorbeeld geproduceerd voor tafel- en schoorsteenplaten. |
|
|