|
ProGenesis - 95 Stellingen tegen de evolutietheorie
Wetenschappelijke kritiek op het naturalistische wereldbeeld
Inhoudsopgaaf Voorwoord bij de Nederlandse uitgave Voorwoord Inleiding Biologie (1 - 16)
Geologie en paleontologie (17 - 31)
Chemische evolutie (32 - 40)
Radiometrie en geofysica (41 - 51)
Kosmologie en oerknaltheorie (52 - 64)
Filosofie (65 - 75)
Informatietheorie (76 - 83)
Mens en cultuur (84 - 95)
Slotverklaring
Nawoord
Geologie en paleontologie
Het model van een zeer oude aarde is voor de evolutietheorie van doorslaggevende betekenis. Alleen als de geschiedenis van onze planeet enige miljarden jaren beslaat, zou het (volgens de theorie) mogelijk zijn dat uit een eenvoudige eencellige in een langzaam lopend proces een mens kon ontstaan. Maar is onze aarde werkelijk miljarden jaren oud?
De zogenaamde radiometrische meetmethoden, die frequent aangevoerd worden voor de ouderdomsbepaling van gesteenten en fossielen, zijn geenszins onomstreden. De beschikbare gegevens kunnen zeer verschillend geïnterpreteerd worden. Meer daarover in het hoofdstuk radiometrie en geofysica.
Diverse waarnemingen van geologische formaties roepen enorme twijfels op omtrent de conventionele dateringsmodellen. Wanneer men de erosie van continenten, de groei van rivierdelta’s en de veranderingen van zeekusten en riffen analyseert dan is het ondenkbaar, dat de huidige processen al vele miljoenen jaren gaande zijn.
Onderzoekingen van de grenslagen tussen geologische formaties en kennis van de moderne sedimentologie wijzen eveneens op een korte geschiedenis van de aarde. Catastrofale gebeurtenissen zoals de vulkaanuitbarsting van Mount St. Helens aan de westkust van de USA bewijzen, dat de geologische formaties van onze aarde in zeer korte tijd gevormd kunnen zijn.
Tenslotte spreken ook de fossielen Darwins leer over de afstamming der soorten tegen. Volgens de evolutietheoretisch zienswijze zouden tot op heden vele miljarden tussenvormen op onze aarde hebben geleefd. Toch kon men tot de dag van vandaag geen enkele (!) onomstreden evolutionaire tussenvorm (missing link) ontdekken.
| ^ | | ^ |
|---|
Toen Charles Darwin zijn theorie publiceerde dat alle ons bekende organismen familie van elkaar zijn, oogstte hij van de kant van paleontologen voornamelijk hoofdschudden. Reeds toen was te onderkennen, dat de noodzakelijke overgangsvormen tussen de afzonderlijke basissoorten geheel ontbraken. Tegenwoordig kan men dat hiaat, op grond van nog meer waarnemingen, wel het hoofdkenmerk van het fossielenverslag noemen. Onder het hiaat verstaat men dat er geen nieuwe vormen en organen ontstaan en dat de basissoorten fundamenteel over de gehele geschiedenis van de aarde onveranderd zijn gebleven. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Wil een levend wezen gefossiliseerd worden, dan moet het binnen korte tijd met sediment bedekt en van de lucht afgesloten worden. Anders zal het verrotten/bederven. Indien het afgesloten dode organisme door geschikte mineralen wordt omgeven, vindt tengevolge van chemische processen een uitwisseling plaats tussen de moleculen van het organisme en zijn mineraalhoudende omgeving. Het feitelijke proces kan onder geschikte omstandigheden binnen enkele dagen beginnen en al in een paar weken, maanden of jaren zijn afgerond. Hoe snel een organisme wordt gemineraliseerd, is afhankelijk van de omgeving waarin het werd ingebed. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Ook na een intensieve zoektocht van 150 jaar zijn de vereiste overgangen van vissen naar amfibieën, van amfibieën naar reptielen en van reptielen naar vogels niet gevonden in de fossielen. Vergelijkingen van de „amfibie-achtige vissen” (Coelacanth/ Periophthalmus) en de „visachtige amfibieën” (Ichthyostega) tonen bovendien, dat bij complexe essentiële kenmerken, zoals de bouw van de tetrapodenextremiteiten (poten van viervoetige landwezens) of de bouw van het schedelgedeelte rond de hersenen, evolutionaire tussenvormen nauwelijks zijn voor te stellen. Voor de overgang tussen reptielen en vogels houdt men hardnekkig vol dat de Archaeopteryx een overgangsvorm zou zijn, hoewel het tegenwoordig bewezen is dat hij voor honderd procent een vogel was, gevederd, warmbloedig en met een speciaal ontworpen vogellong. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In de aardlagen die ouder zijn dan het zogenaamde Cambrium (naar men aanneemt ca. 488 - 542 miljoen jaar geleden), vindt men uitsluitend microfossielen. In het Cambrium zelf duiken dan plotseling zeer complexe organismen op. De aanname, dat eencellige en meercellige organismen (planten en dieren) gemeenschappelijke voorouders hebben, wordt door het fossielenverslag niet ondersteund, maar juist tegengesproken. Dit probleem is algemeen bekend. Omdat de „hogere” organismen „explosief” en zonder voorlopers (!) verschijnen, spreekt men in vakkringen van de „Cambrische explosie”. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De gerenommeerde geoloog Ariel A. Roth heeft onderzocht hoeveel grind, modder, stenen, enzovoorts jaar na jaar door de tegenwoordige rivieren naar de oceanen wordt gespoeld. Hij berekende, dat in 10 miljoen jaar alle continenten tot op zeeniveau zouden zijn afgesleten, indien zij niet gelijkertijd door tektonische processen werden opgeheven. Zelfs indien in het verleden wezenlijk minder materiaal zou zijn weggespoeld, dan is duidelijk dat in de bovenste gesteentelagen nooit fossielen aanwezig zouden kunnen zijn, die duidelijk meer dan 10 miljoen jaar oud zijn. Zij zouden allang weggeërodeerd moeten zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Op grond van de hoeveelheid materiaal, dat door de beken en rivieren in meren en zeeën wordt gespoeld, kan men schatten, hoe lang deze processen reeds geduurd hebben. Opmerkelijk is, dat zich op de gehele aarde geen enkele rivierdelta aanwezig is, die met zekerheid duidelijk ouder dan 10.000 jaar oud kan zijn. Ook wanneer men de huidige veranderingen van meren en zeekusten bestudeert, wordt het duidelijk dat het aardoppervlak zoals we het nu zien, nooit miljoenen of miljarden jaren oud kan zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Bij de gigantische uitbarsting van de vulkaan Mount St. Helens in het jaar 1980 zijn binnen uren en dagen geologische formaties ontstaan, die geheel overeenkomen met andere van wie men tot nu toe aannam dat zij in een duizenden tot miljoenen jaren durend proces zouden zijn gevormd. De waarnemingen bij Mount St. Helens tonen hoe de geologische formaties van onze aarde niet in een langzaam proces, maar door een reeks catastrofale gebeurtenissen gevormd konden worden. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De moderne sedimentologie bevestigt, dat de kenmerken van sedimentlagen, die zichtbaar en voor onderzoek toegankelijk zijn, wijzen op kortdurende en intensieve afzettingen. Op basis van de waargenomen structuren van de sedimenten (cross-bedding/gesorteerde lagen) kunnen tijdsperioden van honderden miljoenen jaren moeilijk bevestigd worden. Ook bij de interpretatie van de dunste lagen vind een verandering van denkwijze plaats. In veel gevallen spreekt men tegenwoordig van dag- in plaats van jaarlagen. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De laaggrenzen (de overgang van de ene sedimentlaag naar de volgende) van geologische formaties waaraan vaak een ouderdomsverschil van duizenden en meer jaren wordt toegeschreven, vertonen in de regel geen of slechts geringe oppervlakte-erosie, bioturbatie (verstoring door plantengroei of dierlijke activiteit) of humusvorming. Het is niet voor te stellen dat het oppervlak van een aardlaag gedurende duizenden jaren onaangetast zou zijn gebleven door weersinvloeden, voor zij door een volgende laag werd overdekt. Daarom moet het grootste deel van de wereldwijde sedimentlagen in dagen, jaren of hoogstens decennia ontstaan zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Steeds weer vindt men fossiele boomstammen, planten en dieren, die door verscheidene geologische lagen heensteken (polystrate fossielen). Het probleem daarbij is dat deze lagen vaak een radiometrisch ouderdomsverschil van duizenden of zelfs tienduizenden jaren zouden hebben. Zo werd op de Hauenstein (in Zwitserland) een fossiele vissaurier gevonden die door drie lagen heenstak. Omdat een vis reeds na enkele dagen begint te ontbinden, moeten lagen, zoals die van Hauenstein, zeer snel zijn afgezet. Evenzo moet een boomstam binnen enkele jaren of tientallen jaren ingesloten worden, zodat zij kan verstenen voordat zij verrot. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De meeste basissoorten van de dieren- en plantenwereld vindt men terug in de fossielen. Soorten die men in diepere gesteentelagen vindt en in de daaropvolgende lagen geheel ontbreken, terwijl zij in de hogere lagen gedeeltelijk weer verschijnen, en die tegenwoordig nog leven, noemt men levende fossielen. Het bestaan van levende fossielen doet twijfel rijzen over de betrouwbaarheid van de gangbare interpretatie van het fossielenverslag. Zijn inderdaad verschillende ouderdomswaarden toe te schrijven aan de afzonderlijke geologische lagen, waarin levende fossielen voorkomen? De talrijke vondsten van levende fossielen roepen gerede twijfels op aan deze uitleg. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Steeds weer worden in aardlagen die volgens conventionele schattingen veel ouder dan 100 miljoen jaar zijn, voorwerpen gevonden die met grote waarschijnlijkheid door mensen werden gemaakt (zogenoemde artefacten). Met betrekking tot deze vondsten werd veel gespeculeerd. Is de mensheid veel ouder dan men tot nu toe dacht? Stammen deze voorwerpen van buitenaardse wezens? Hebben wij met reizigers in de tijd te maken? Bijna nooit wordt echter de vraag gesteld: Hoe betrouwbaar zijn de gebruikelijke geologische tijdtafels. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Niet zelden komt het voor dat men in (zogenaamd) 500 miljoen jaar oude zout- en steenkoollagen levensvatbare micro-organismen vindt. Over het isoleren en reactiveren van zulke microben is een veelheid aan publicaties verschenen. Deze microben kunnen wel enige duizenden, maar nooit honderden miljoenen jaren oud zijn. In die tijd zouden de nucleïnezuren (DNA) en andere celbouwstenen allang moeten zijn vergaan. Dat microben zich in een starre „slapende toestand” (cryptobiose) over zulke lange tijdsperioden (en zonder voedingsaanvoer) zelfstandig kunnen vernieuwen en „repareren”, is ondenkbaar. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Enige jaren geleden heeft men de vormingsduur van de Nusplinger platenkalk berekend door vergelijking met de vormingsduur van kalk in de huidige wateren. Nu blijkt dat de Nusplinger platenkalk voornamelijk gevormd werd door kalkskelet dragende goudalgen, die tegenwoordig nog bestaan. Wanneer de tegenwoordig levende Emiliania huxleyi van voldoende voedingsstoffen voorzien wordt, dan kan zij in slechts tien dagen 0,5 - 1 cm kalksediment produceren. Nieuwe inzichten over micro-evolutionaire soortvorming tonen bovendien, dat de soortenrijkdom van de fossiele zeedieren in de Nusplinger platenkalk zou kunnen ontstaan in enkele tientallen jaren. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Tot voor kort waren de meeste geologen ervan overtuigd dat granitisch magma slechts zeer langzaam beweegt, in de vorm van omhoogstijgende diapieren vanonder de aardkorst ,naar de definitieve bestemming in het graniet (dieptegesteente). Nieuwe waarnemingen van de gesteentesamenstelling en -structuur, laboratorium metingen aangaande de aardkorst, alsook vloeistofdynamische berekeningen tonen echter aan dat het magma in de meeste gevallen tot 100.000 maal sneller omhoog vloeit, dan tot nu toe werd aangenomen. Daarom is het duidelijk dat veel diapieren, waaraan tot nu toe een ouderdom van vele miljoenen jaren toegeschreven werd, in werkelijkheid zeer jong zijn. |
|
|