|
ProGenesis - 95 Stellingen tegen de evolutietheorie
Wetenschappelijke kritiek op het naturalistische wereldbeeld
Inhoudsopgaaf Voorwoord bij de Nederlandse uitgave Voorwoord Inleiding Biologie (1 - 16)
Geologie en paleontologie (17 - 31)
Chemische evolutie (32 - 40)
Radiometrie en geofysica (41 - 51)
Kosmologie en oerknaltheorie (52 - 64)
Filosofie (65 - 75)
Informatietheorie (76 - 83)
Mens en cultuur (84 - 95)
Slotverklaring
Nawoord
Filosofie
In de moderne wetenschap is het naturalisme tot het leidende denkbeeld (paradigma) geworden. „Naturalistisch” kan elke leer genoemd worden, die alleen de natuur als basis en standaard van alle verschijnselen beschouwd. Dit naturalistische uitgangspunt is vooral ontstaan uit de motivatie om zich van bovennatuurlijke fenomenen in religieus verband af te bakenen. Hierbij wordt het bestaan van wonderen, bovennatuurlijke wezens of geestelijke inzichten afgewezen.
Voor het naturalistische wereldbeeld is de evolutie-, oersoep- en oerknaltheorie van grote betekenis. Men moet echter de naturalistische wereldbeschouwing vanuit sommige filosofische overleggingen betwijfelen. Zo is bijvoorbeeld het in de evolutietheorie vaak gebruikte begrip „toeval” in de zin van ontwerp-, doel- en zinloosheid een vage bewering zonder enige inhoud.
Waarom vindt men overal in het universum tekenen van teleologie (doelgerichtheid) en planning? Hoe komt de mens ertoe naar de zin van het leven te vragen? Hoe laten zich ondoelmatige schoonheid en natuurlijke volmaaktheid verklaren? Deze en andere vragen blijven in het dogma van de evolutietheorie onbeantwoord.
| ^ | | ^ |
|---|
Volgens enquêtes zijn veel mensen van mening dat de evolutietheorie een wetenschappelijk bewezen feit zou zijn. Weinigen weten dat men in de wetenschap werkt met voorlopige modellen (verificatie) en weerleggingen (falsificatie). Het dominante denkbeeld (paradigma) van evolutie, oersoep en oerknaltheorie is van filosofische oorsprong (Verlichting, Rationalisme/ Naturalisme) en kan niet met natuurwetenschappelijke middelen worden bewezen. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Met behulp van de evolutie-, oersoep- en oerknaltheorie probeert men de wereld op zuiver natuurlijke wijze te verklaren. Natuur en natuurlijk zijn echter zeer flexibele woorden. Bij een nauwkeuriger onderzoek mislukt de scheiding tussen het „natuurlijke” en het „bovennatuurlijke”. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In het denken van vele wetenschappers is wetenschap niets anders dan toegepaste naturalisme, of zoals Steven Weinberg het formuleert: „De wetenschap - ongeachte welke - kan slechts dan voortgang maken, indien zij aanneemt, dat er geen Goddelijk ingrijpen bestaat, en zij beseft hoe ver men met deze aanname komen kan.“ Maar: Het bestaan van God kan natuurwetenschappelijk niet uitgesloten worden. En: Indien God toch bestaat, dan kan de wetenschap - ongeacht welke - slechts voortgang maken indien zij Hem in hun bespiegelingen betrekken. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Sinds enige jaren verschijnen in de media vele populair wetenschappelijke artikelen, waarin menselijke en dierlijke gedragingen in de context van de evolutietheorie worden verklaard. Heel vaak gaat het daarbij om onderzoek van het menselijk seksueel gedrag. Veel conclusies over de evolutionaire vorming van cognitieve mechanismen blijken cirkelredeneringen te zijn. Andere zijn zo vaag en algemeen geformuleerd, dat men ze slechts als geloofwaardig klinkende bedenksels kan beschouwen die niet te bewijzen of te weerleggen zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In de evolutietheorie is het algemeen gebruikte begrip „toeval” in de zin van ontwerp-, doel- en zinloos een negatieve, en het gebruik van het begrip toeval in de zin van een stochastisch (definitie zie hieronder) proces een vage bewering, zonder enige inhoud. De theoretische afwijzing van een sturende kracht (of God) of van hoe dan ook een oorzakelijkheid of de algemene bewering van stochastische processen hebben geen zeggingskracht. Dat blijft ook zo, indien aan het toeval een factor (naar men zegt) noodzakelijkheid wordt toegevoegd. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Het causale evolutieonderzoek heeft een onoverbrugbaar bewijsprobleem: Zij moet op basis van proefondervindelijke wetten (beschrijving van berekenbare en voorspelbare gebeurtenissen) een volgens haar eigen theorie toevallige ontwikkeling bewijzen. De veronderstelde lange tijdsperioden (waarin macro-evolutionaire ontwikkelingen zouden hebben plaatsgevonden) en inhoudsloze uitspraken (zoals, dat de evolutie „gericht”, maar niet „doelgericht” verloopt), beschermen de theorie voor tegenargumenten. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De op gelijke wijze opgebouwde lichaamsdelen van veel organismen worden homologe (gelijksoortige) organen genoemd. Een voorbeeld: De borstvinnen van vissen, de voorpoten van de gewervelde landdieren en de vleugels van vogels en vleermuizen. Bovendien zijn alle ons bekende organismen uit dezelfde basisbouwstenen (proteïnen) opgebouwd. Ook de informatiedrager (DNA) is bij alle organismen hetzelfde. Deze overeenkomsten kunnen wijzen op een gemeenschappelijke afstamming maar ook op een gemeenschappelijke Ontwerper/Schepper. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Wanneer we naar de natuur kijken, dan zien we, dat geen enkel organisme of orgaan zich ergens half in opbouw bevindt, maar alles is perfect afgestemd op zijn plaats. Elk diertje vervult één of ander doel; elk kruid is wel ergens goed voor; er zijn geen incomplete ecosystemen; de meeste organismen leveren een bijdrage aan het welzijn van het hele ecosysteem (met uitzondering van de moderne mens). Dit alles wijst er op, dat het aardse leven afkomstig is van een intelligente Schepper. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De ontelbare kosmische en biologische structuren die wij tegenwoordig waarnemen, zouden volgens veel wetenschappers ontstaan zijn door puur toeval. Dit dogma is in tegenspraak met de doelgerichtheid (teleologie) en planmatigheid, die in de gehele natuur is te herkennen. Indien de natuur daadwerkelijk door zuiver toevallige processen zou zijn ontstaan, dan zou er geen teleologie herkenbaar mogen zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De vraag naar de zin van het leven kan vanuit de evolutietheorie niet worden beantwoord. In tegendeel, vanuit de naturalistische zienswijze mag deze vraag zelfs helemaal niet gesteld worden. De evolutionist Richard Dawkins schrijft dat „het universum, dat wij zien, [...] geen ordening, geen zin, geen goed en geen kwaad bezit, echter niets dan nutteloze onverschilligheid“.(32) Het naturalisme, dat een Schepper van het leven uitsluit, kan de vraag naar de zin van het leven niet beantwoorden. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De in de natuur voorkomende ondoelmatige schoonheid is een wezenlijk kenmerk van een intelligente schepping. Het naturalistisch beginsel faalt, wanneer het er om gaat, het ontstaan van doelloze schoonheid te verklaren. De natuurlijke selectie zou uitsluitend gunstig zijn voor doelmatige mutaties, die op één of andere wijze een overlevingsvoordeel met zich meebrengen. Schoonheid zou evolutietheoretisch noch begunstigd noch geselecteerd worden. |
|
|