|
ProGenesis - 95 Stellingen tegen de evolutietheorie
Wetenschappelijke kritiek op het naturalistische wereldbeeld
Inhoudsopgaaf Voorwoord bij de Nederlandse uitgave Voorwoord Inleiding Biologie (1 - 16)
Geologie en paleontologie (17 - 31)
Chemische evolutie (32 - 40)
Radiometrie en geofysica (41 - 51)
Kosmologie en oerknaltheorie (52 - 64)
Filosofie (65 - 75)
Informatietheorie (76 - 83)
Mens en cultuur (84 - 95)
Slotverklaring
Nawoord
Chemische evolutie
De chemische evolutie houdt zich enerzijds bezig met het ontstaan van de basisbouwstenen voor levensnoodzakelijke moleculen (aminozuren) en anderzijds met het ontstaan van biologisch actieve moleculen uit deze bouwstenen (proteïnen). De vraag hoe zich deze proteïnen tot levensvatbare cellen samengevoegd zouden kunnen hebben, blijft daarbij volledig open.
De oersoeptheorie Volgens de conventionele leer zou de eerste cel (het eerste organisme) zich spontaan gevormd hebben in een vloeistof (oersoep), waarin alle chemische stoffen, die voor hun bouw noodzakelijk zijn, voorhanden waren. In de evolutiebiologie wil men zich niet over de verschillende oersoeptheorieën uiten. Het ontstaan van de eerste cel zou niets met evolutie te maken hebben. Om die reden luidt de opschrift van het dit boek „95 stellingen tegen evolutie-, oersoep- en oerknaltheorie“.
Reproduceerbare resultaten In het laboratorium kan men verschillende prebiotische omstandigheden simuleren en daarmee overeenkomende reacties onderzoeken. De resultaten kunnen door elke chemicus gereproduceerd worden. Daarbij stuit men met het oog op de oersoeptheorie op uiterst ontnuchterende resultaten. Men neemt onder andere waar, dat zich in een waterhoudende oersoep en/of een zuurstofhoudende atmosfeer nooit lange molecuulketens kunnen vormen. Het water splitst de moleculen direct en ze oxideren zodra zij met zuurstof in contact komen.
| ^ | | ^ |
|---|
Vivum ex vivo – Leven komt slechts van leven. Deze door Louis Pasteur geformuleerde verklaring is ook hedentendage nog volledig in overeenstemming met alle experimenteel verkregen gegevens van de levenloze (prebiotische) natuur. In de tijd van Darwin geloofde men nog dat organismen spontaan in afval of vieze lompen konden ontstaan. Dit ontstaan noemde men „oerverwekking” (abiogenese). Later kon Louis Pasteur bewijzen, dat bacteriën niet vanzelf ontstaan. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In het jaar 1953 maakte de bioloog en chemicus Stanley L. Miller een proefopstelling, waarmee hij het ontstaan van aminozuren onder oersoepomstandigheden wilde simuleren. Hierbij lukte het hem, door een gasmengsel verscheidene dagen aan elektrische vonken bloot te stellen, enkele eenvoudige aminozuren te synthetiseren. Zijn experiment is echter in de huidige moleculaire biologie om diverse redenen zonder betekenis geworden. Zo verhindert het water in Millers oersoep de vorming van molecuulketens. In zijn oersoep ontstaan bovendien ook giftige stoffen. Het experiment vond plaats onder zuurstofloze omstandigheden en komt ook verder niet overeen met de huidige kennis over de oeratmosfeer op aarde. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
In 1953 gelukte het Francis Crick en James Watson, zich baserend op de röntgendiffractie gegevens van Rosalind Franklin en Maurice Wilkins, om een model voor de driedimensionale structuur van het erfmateriaal af te leiden. Sinds deze ontdekking is het duidelijk dat er zonder DNA geen leven mogelijk is. Aan de andere kant betekent dit echter ook, dat indien de proteïnen niet eerder ontstaan zouden zijn - waarover men het tegenwoordig grotendeels eens is - het DNA toevallig onder oersoepomstandigheden zonder hulp van een matrix zou moeten zijn ontstaan. Laboratoriumexperimenten tonen ontnuchterend aan: zulk een scenario is onmogelijk. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
De chemici zijn tegenwoordig in staat om met grote kosten aminozuren te produceren. De vorming van lange ketens, zoals voor de bouw van organismen nodig zijn, is echter slechts onder uiterst precieze omstandigheden mogelijk. Zelfs kleine verontreinigingen kunnen tot afbraak van een keten leiden. Bovendien ontleden aminozuurketens, als zij reageren met water. Aangezien in een hypothetische oersoep met zekerheid ook water aanwezig was, is het onmogelijk, dat zich daarin aminozuurketens of zelfs complete eiwitten (proteïnen) gevormd zouden hebben. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Wanneer men in het laboratorium met veel moeite aminozuren en suikers (de belangrijkste bouwstenen van het leven) fabriceert, dan ontstaan bij dit proces gelijke hoeveelheden links- en rechtsdraaiende moleculen. Voor de bouw van levende cellen kunnen echter bijna uitsluitend linksdraaiende moleculen worden gebruikt. Rechtsdraaiende moleculen zijn vaak giftig voor de cel. Aangezien reeds het genoom van de eenvoudigste bekende levensvorm uit ongeveer een half miljoen bouwstenen bestaat, is het op natuurlijke wijze koppelen van voldoende linksdraaiend basismateriaal uitgesloten. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Opdat een proteïne zijn functie in de cel juist kan uitvoeren, moet het een heel specifieke driedimensionale vorm aannemen. Hoewel het in de cel slechts een fractie van een seconde duurt om een enkele proteïnevouw uit te voeren, zou het miljarden jaren duren, wanneer men alle mogelijkheden voor één enkele vouw zou willen uittesten! Hierbij moet men bedenken, dat een foutief gevouwen proteïne in de regel nadelig (in het ergste geval zelfs dodelijk) voor het organisme is. Voor de opbouw van een enkele cel moeten duizenden proteïnen op de juiste manier gevouwen worden. Hierbij blijft, bij wijze van spreken, „bar weinig” speelruimte over voor toevallige processen. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Een proteïne bevat gemiddeld ongeveer 1000 letters (aminozuren). Nadat een proteïne in de cel is gefabriceerd, moet het naar de plaats getransporteerd worden waar het moet worden ingezet. Om dit te bereiken bevat elke proteïne een complexe adressering. Een toevallig ontstaan van deze adressering is niet voor te stellen. Daarbij komt, dat fout geadresseerde proteïnen in veel gevallen niet alleen nutteloos, maar ook schadelijk kunnen zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Dat alle proteïnen, die in de levende cel geproduceerd worden, op de juiste wijze gevouwen en correct geadresseerd worden, is nog niet voldoende. De cel moet bovendien van elk proteïne de juiste hoeveelheid aanmaken. Indien een cel de productie van een bepaald proteïne niet op het juiste moment zou kunnen stopzetten, dan zou dit ongeveer een vergelijkbaar resultaat hebben, als wanneer men in plaats van brandhout in de kachel langzaam maar zeker het hele huis zou verstoken. Het mechanisme dat de productie van proteïnen start en stopt, moet bij elke cel reeds vanaf het begin volledig gebruiksklaar voorhanden zijn. |
|
| ^ | | ^ |
|---|
Controle mechanismen in de cel zorgen ervoor, dat defecte proteïnen weer afgebroken en de bouwstenen ergens anders gebruikt worden. Deze mechanismen zouden elke macro-evolutionaire ontwikkeling tegenwerken, omdat zij proteïnen die het organisme een voordeel zouden kunnen geven, elimineren omdat zij niet in het bestaande ontwerp passen. Ook de DNA-keten wordt gedurende het kopieerproces bij de celdeling voortdurend gecontroleerd en gecorrigeerd. Het leven lijkt fundamenteel op het behoud van de bestaande proteïnen (stasis) te zijn ingericht. |
|
|