Home Recensies Feiten genoeg - Lee Strobel versus Michael J. Benton
Creatie.info | dinsdag 07 februari 2012
 
 
 
Feiten genoeg - Lee Strobel versus Michael J. Benton Print E-mail
Wednesday, 07 January 2009 10:30

Coelacant nog steeds de ‘oude’
Reformatorisch Dagblad 06-01-2009 13:30 | Bart van den Dikkenberg [artikel]

"Niets brengt alles voort; niet leven brengt leven voort; willekeur brengt uiterste nauwkeurigheid voort; chaos brengt informatie voort; onbewustheid brengt bewustheid voort; niet-rede brengt rede voort.” Op basis van Darwins theorie verdedigt een evolutionist in feite deze paradoxale ideeën.

Iedereen beoordeelt wat hij waarneemt vanuit zijn eigen denkpatroon. Het kan dan gebeuren dat hetzelfde feit op totaal verschillende manieren wordt geïnterpreteerd. Zodanig zelfs dat de meningen lijnrecht tegenover elkaar staan.

Zoiets gebeurt ook in de discussie tussen evolutionisten en creationisten. Dezelfde feiten leidden tot het schitterend geïllustreerde natuurboek ”De zeventig grootste mysteries van de natuur” onder redactie van hoogleraar paleontologie Michael J. Benton, maar ook tot het verhalend geschreven ”Feiten genoeg…” van de rechtbankjournalist Lee Strobel, dat geen illustraties heeft.

Balsemolie

Vrijwel de eerste vraag in beide boeken gaat over een fundamentele kwestie: waar komt het leven vandaan? Het boek van Benton noemt dat „het grootste raadsel aller tijden.” De oplossing zoekt de auteur bij de experimenten van Harold Urey en Stanley Miller. Deze Amerikaanse wetenschappers gebruiken een kunstmatige atmosfeer van waterdamp, ammoniak en methaan. Daaruit ontstaan onder invloed van bliksem en ultraviolette straling aminozuren, de basisstof voor eiwitten zoals RNA en DNA.

Strobel schrijft dat de samenstelling van de atmosfeer volgens de huidige -seculiere- wetenschappelijke inzichten niet kan bestaan uit de stoffen waarvan Urey en Miller zijn uitgegaan. Vergelijkbare experimenten met de wetenschappelijk juiste atmosfeer leiden overigens wel tot het ontstaan van organische moleculen. „Weet je welke dat zijn? Formaldehyde. En cyanide. Om te suggereren dat formaldehyde en cyanide de juiste voedingsbodem zijn voor het ontstaan van leven, nou ja, dat is gewoon een grap. Het is eerder balsemolie voor de doden.”

Onoplosbaar

Als er echter aminozuren zijn ontstaan, kunnen stoffen zoals pyriet en andere verbindingen met ijzer en nikkel eenvoudige organische verbindingen, zoals aminozuren, ombouwen tot grotere, zoals eiwitten. Ook kunnen kleimineralen als ”mal” hebben gefungeerd voor de opbouw van RNA en DNA. „Deze vorm van leven heeft het immers gered na miljarden jaren”, vervolgt een auteur in het boek van Benton.

Die voorstelling is echter niet waarschijnlijk. „Je moet namelijk het juiste aantal van de juiste soorten aminozuren hebben om een eiwitmolecuul te vormen. Vervolgens moet je tientallen eiwitmoleculen hebben, ook weer in de goede volgorde. Het probleem om de juiste onderdelen, op de juiste manier, op de juiste tijd, op de juiste plaats bij elkaar te brengen, terwijl al het verkeerde materiaal erbuiten moet worden gehouden, is eenvoudigweg niet op te lossen.

De kloof tussen niet-levende chemicaliën en het meest primitief levende organisme is enorm. Niemand heeft kunnen aantonen hoe RNA zich kan hebben gevormd voordat er levende cellen waren om het te maken. Je moet de ene drogreden op de andere stapelen om op een punt uit te komen waar RNA een levensvatbare, eerste biomolecuul is”, aldus Strobel.

Boom des levens

De boom des levens is volgens het boek van Benton de icoon van de evolutie. Het is een hiërarchisch diagram, waarin elk takje een soort vertegenwoordigt. Het eronder liggende niveau is een genus, een groep. Daaronder volgen de families, dan de orden, dan de klassen. Verder naar onderen wordt het verband onduidelijker.

Darwin zag een evolutionistisch patroon in die boom des levens. Door natuurlijke selectie hebben zich ondersoorten gevormd, zoals zich bijvoorbeeld uit een ”oerkat” leeuwen, tijgers en poema’s hebben ontwikkeld. Ook de Darwinvinken op de Galapagoseilanden zijn daarvan een goed voorbeeld.

Darwin presenteerde in zijn ”On the Origin of Species” ook een veel verdergaand idee: „Twee soorten hebben altijd een gemeenschappelijke voorouder, als je maar ver genoeg langs de boom afdaalt.” Een aap heeft dus ergens in het verleden dezelfde voorouder gehad als een vink.

Met DNA-onderzoek proberen wetenschappers de boom verder te ontrafelen om uiteindelijk aan te komen bij het allereerste organisme dat heeft geleefd. „Maar het zit er niet in dat wij de volledige uittekening van de boom nog zullen meemaken”, aldus Benton.

Strobel noemt Darwins boom een „armzalige mislukking, maar wel een goede weergave van zijn theorie.” De theoretische reconstructie van de boom met behulp van moleculen zoals RNA en DNA lukt volgens hem niet zo. „Als je zo’n moleculaire boom vergelijkt met de gangbare boom die gebaseerd is op lichaamsstructuren krijg je een andere boom. Je kunt een ander molecuul onderzoeken en uitkomen op weer een andere boom.

Het is zelfs zo dat als je een molecuul aan twee verschillende laboratoria geeft, je twee verschillende bomen krijgt. Het is misschien wel redelijk om te zeggen dat we vraagtekens moeten zetten bij de aanname dat er een gemeenschappelijke voorouder bestaat.”

Zelfs in Bentons boek wordt geconcludeerd dat het steeds duidelijker wordt dat genetisch conservatisme de regel is, en niet de uitzondering. „Het is eerder verrassend dat er zoveel diversiteit onder organismen heeft kunnen ontstaan bij zoveel conservatisme”, verzucht een evolutionistische auteur in het boek van Benton.

Objectief

Een andere schrijver in hetzelfde boek poneert dat wetenschappers bewijs voor de evolutietheorie op precies dezelfde manier hebben verzameld als bij alle andere wetenschappelijke theorieën. „Dat zijn bouwwerken van ideeën die een breed scala aan feiten verklaren.” Zo verklaart Darwins theorie volgens hem hoe de evolutie werkt. Als bewijs draagt hij de natuurlijke selectie aan.

Klik hier!

Dat verklaart echter het veranderen van de ene soort in de andere nog niet. Daarvoor zijn tussenvormen, zogenaamde missing links nodig. Probleem hierbij is dat de theorie al vaststaat, maar dat de feiten nog gevonden moeten worden. Die ziet de auteur in bepaalde fossiele dieren zoals de coelacant en de tiktaalik. Dat zijn twee diersoorten die in het water leven of leefden en volgens evolutiedrijvers de ideale schakel vormen tussen vissen en gewervelde landdieren.

Twee cruciale vragen blijven echter onbeantwoord. Hoe komt het dat een levende coelacant (Latimeria chalumnae) totaal niet is geëvolueerd ten opzichte van de fossiele coelacant die 370 miljoen jaar oud zou zijn, en nog altijd voorkomt bij de Comoren in de Indische Oceaan op 200 meter diepte? En waarom zou de fossiele en hoogstwaarschijnlijk uitgestorven tiktaalik (Tiktaalik roseae) -in het boek getekend als vis met borstvinnen die wat op pootjes lijken- een overgangsvorm moeten zijn? De borstvinnen bestaan uit een serie botjes, net als bij andere viervoeters, en heeft meer kenmerken van een alligator dan van een vis. Dit dier moet het gat vullen tussen de vissen en de vroegste viervoetige zoogdieren die op land leefden. Maar dat is een aanname die evolutionisten niet hard kunnen maken.

Strobel citeert de biochemicus Michael Denton, die in 1985 opzien baarde met zijn boek ”Nature’s destiny”, waarin hij Intelligent Design verdedigt: „De universele ervaring van de paleontologie is dat terwijl de gesteenten voortdurend nieuwe, opwindende en zelfs bizarre levensvormen vrijgaven, ze geen van Darwins duizenden overgangsvormen hebben laten zien. Hun afwezigheid blijft een van de opvallendste kenmerken van het fossielenbestand.”

Strobel gaat nog verder als hij evolutiebioloog William Provine citeert: „Als het Darwinisme gelijk heeft, zijn er vijf onvermijdelijke conclusies: Er is geen bewijs voor het bestaan van God; er is geen leven na de dood; er is geen absolute norm voor goed en kwaad; het leven heeft geen hogere betekenis; de mens heeft geen vrije wil, maar wordt gestuurd door toeval.” Daarmee is impliciet uitgesproken dat de evolutietheorie een religie is met een eigen dogmatiek.


Mede n.a.v. ”De zeventig grootste mysteries van de natuur”, door Michael J. Benton (red.); uitg. Thoth, Bussum, 2008; ISBN 978 90 77699 06 5; 304 blz.; € 32,50;

”Feiten genoeg…”, door Lee Strobel; uitg. Gideon, Hoornaar, 2008; ISBN 978 90 6067 790 2360 blz.; € 19,95.

Zie ook: refdag.nl/darwin / latimeria.nl / tiktaalik.uchicago.edu.

De coelacant geeft volgens evolutiebiologen aanwijzingen over de manier waarop onze voorouders aan land zijn gekomen. Ill. uit ”De zeventig grootste mysteries van de natuur”

 
 
 
   
     

 
© 2012 Creatie.info
Joomla! is Free Software released under the GNU General Public License.