Home Onderwerpen biologie Het Ontstaansmodel: Biologische Feiten
Creatie.info | woensdag 08 februari 2012
 
 
 
Het Ontstaansmodel: Biologische Feiten Print E-mail
Friday, 20 March 2009 10:05

ART09012801 — Versie 28 januari 2009
HET ONTSTAANSMODEL: BIOLOGISCHE FEITEN
Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer
Email: This e-mail address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it
==========================================================
HET ONTSTAANSMODEL: BIOLOGISCHE FEITEN

INLEIDING

1. Dit artikel wil - in het lopende Darwinjaar - een bijdrage leveren aan de discussie betreffende het ONTSTAAN van plant, dier en mens, zij dit volgens evolutie, zij dit volgens creatie. Nagegaan wordt welke de EXPERIMENTELE (proefondervindelijke) FEITEN zijn waaraan ELK ontstaansmodel moet voldoen, wil dit vanuit natuurwetenschappelijk standpunt aanvaardbaar zijn.

2. De onderstaande tekst is GEEN pleidooi voor het creationisme, en EVENMIN voor neodarwinistische volutie. Er wordt NIET gesproken over de Bijbel, NOCH over een
eventuele Creator. In het artikel worden GEEN filosofische meningen verkondigd, GEEN
creationistische, GEEN evolutionistische. De volgende tekst bevat GEEN enkele
theologische uitspraak. Er is UITSLUITEND sprake van natuurwetenschappelijke en
experimentele feiten, waarnemingen en gegevens, gebaseerd op eeuwenlang
veldonderzoek en experimenten, waaraan ELK ontstaansmodel, van welke
filosofische mening dan ook, moet voldoen.

3. De ingenieurskunsten en de natuurwetenschappen houden zich bezig met
waarnemingen, met experimenten, met feiten. Die feiten moeten controleerbaar zijn, de
waarnemingen moeten herhaalbaar zijn. Een model in de experimentele
natuurwetenschappen komt slechts tot stand op grond van waarnemingen en
experimenten. Zo'n model wordt voortdurend beproefd. Een model is pas betrouwbaar, als
elke geleerde, waar ook ter wereld, dit model kan toetsen op betrouwbaarheid door
nieuwe experimenten uit te voeren, waarbij geen enkele test de resultaten van het model
contesteert. Voor elk model in de natuurwetenschappen geldt overigens, dat één
tegenbewijs voldoende is om het model te moeten verlaten, ook al zijn er talrijke bewijzen
vóór.

4. Daarom moet men duidelijk onderscheid maken tussen enerzijds experimental science
(de experimentele natuurwetenschap), welke werkt met veldonderzoek en laboexperimenten,
en anderzijds de forensic science (de forensische wetenschap), welke
poogt interpretaties van historische gebeurtenissen te geven aan de hand van
tegenwoordige data.

5. In dit artikel wordt beperkt tot de biologische feiten van het ontstaansmodel, plus tot
enige elementen uit de demografie en de archeologie, bekend uit experimental science.
Het gaat uitsluitend om de vaststaande experimentele feiten van de natuurwetenschappen
en de ingenieurskunsten. Wat wordt besproken, staat vast op grond van experimentele
natuurwetenschap, op grond van eeuwenoude ervaringen. Er worden geen filosofische,
noch theologische, standpunten ingenomen.

6. Tot verrassing van velen zal blijken, dat dit uitgangspunt een definitief inzicht
betreffende het ontstaansmodel op zal leveren, zonder dat er ook maar één
postulaat of opvatting (betreffende de oorsprong der dingen) uit de filosofie of de
theologie bij de bewijsvoering nodig is. En nu het bewijs.

ONTWIKKELINGEN IN DE BIOLOGIE

Natuurlijke processen

7. Darwin en de negentiende eeuwse biologen meenden, dat biologische processen van
natuurlijke selectie, en genetische mutaties, en nog andere biologische mechanismen, de
verandering der soorten planten en dieren in hogere vormen konden verklaren. Dit zou
dan geschieden onder invloed van toevalsprocessen, chemische processen, kosmische
straling, temperatuur- en drukveranderingen, en andere omgevingsinvloeden, eigen aan
de natuur. Daarbij zou het toeval een grote rol spelen, en door de lange tijden van
miljoenen jaren zou de ontwikkeling naar hogere vormen mogelijk zijn.

8. Het is onbetwijfelbaar, dat natuurlijke selectie, mutaties, en andere biologische
mechanismen bestaan, en tot veranderingen binnen de biologische grondsoorten kunnen
leiden. Een biologische grondsoort omvat alle individuen, die onderling kunnen paren, en
vruchtbaar zijn. Voorbeelden: De mens, hond, geit, kip. De zeer vele soorten honden en
kippen met vele verschillende eigenschappen zijn een bewijs voor de effectiviteit van deze
biologische mechanismen.

9. Het is tegenwoordig even onbetwijfelbaar, dat dergelijke processen - de afgelopen
4.000 jaar - nimmer tot een nieuwe grondsoort hebben geleid. Een geit wordt geen
schaap, een kip geen patrijs, een aap geen mens. Darwin en zijn tijdgenoten wisten niets
van de microbiologie, niets van de genetische biologie, niets van het DNA, welke kennis in
de dagen nog niet bestond.

Het toeval

10. Latere wetenschappers moesten het toeval als voorwaarde voor nieuwe grondsoorten
laten vallen, daar de wiskundige statistiek heeft aangetoond, dat het toeval nimmer als
verklaring voor de grote erfelijke veranderingen van een zekere soort naar een hogere
soort kan dienen. De wiskundige statistiek leert, dat één gebeurtenis nimmer optreedt, als
de kans op het optreden van deze gebeurtenis is 1 op een 1 met 50 nullen [men schrijft
dan 1 op 10exp50, exp komt van exponent, bedenk dat 10exp3=1000].

11. Bij de overgang van een lagere biologische soort naar een hogere soort moeten vele
erfelijke veranderingen tegelijkertijd optreden in mannelijke en in vrouwelijke exemplaren,
en bestendig zijn in volwassen exemplaren, wil de nieuwe soort zich kunnen handhaven
en voortplanten.

12. De evolutionist wil door het invoeren van lange tijden de mogelijkheid van een
toevallige verandering suggereren. ‘Het lijkt niet mogelijk, maar als er heel veel tijd is, zal
het toch wel eens geschieden,’ zo is de redenering (van de wiskundige leek).

13. De kans op die gelijktijdige en gecombineerde veranderingen in volwassen exemplaren
van verschillend geslacht is veel kleiner dan 1 op 10exp50, men denke aan 1 op
10exp250, waardoor dergelijke toevallige veranderingen TOTAAL ONMOGELIJK zijn. Het zijn
niet de lange tijden, die de toevallige evolutie mogelijk maken, het zijn de uiterst
kleine kansen, die de toevallige evolutie onmogelijk maken.

Omgevingsinvloeden

14. Bleven voor de latere evolutionisten van de negentiende en de twintigste eeuw over als
mogelijke natuurkundige omgevingsinvloeden van de geleidelijke evolutie in kleine
stappen: radio-actieve straling, temperatuur- en drukveranderingen, electrische invloeden
(bliksem), en als biologische invloeden: selectie, mutatie, genetische drift,
populatiebeperking.

15. Welnu, de experimentele resultaten van minstens 4.000 jaar veeteelt en plantenteelt
hebben aangetoond, dat omgevingsinvloeden geen nieuwe soorten met andere erfelijke
eigenschappen dan de bestaande opleveren. Wèl veranderingen binnen de biologische
soort, geen nieuwe soorten met andere erfelijke eigenschappen. Ook deze evolutionisten
kenden de genetische microbiologie nog niet zo goed als wij dat heden doen.

16. Laboratoriumexperimenten van de laatste paar honderd jaar hebben dit bevestigd. Men
kan wel nieuwe types honden kweken, of een ander soort maïs, maar honden blijven
honden, en maïs blijft maïs. Moderne labo-exprimenten, met de ingewikkelde en hoogtechnologische
technieken van het klonen, leveren wel soorten met andere erfelijke
eigenschappen op, maar dat is niet de bekende en veronderstelde natuurlijke ontwikkeling
in de wereld der evolutionist.

NATUURWETENSCHAPPELIJKE FEITEN

17. Welnu, laten wij eens samenvatten wat de moderne experimentele wetenschap op
grond van de eeuwenlange ervaring van fokkers en kwekers, en op grond van
veldexperimenten en laboratoriumproeven, heeft vastgesteld. Laten wij ook de resultaten
van het demografische onderzoek, de archeologie, en de fysische informatieleer noteren.
Daarna kan men een verrassende conclusie trekken.

Uit de biologie

18. Leven ontstaat slechts uit leven. De bekende Franse geleerde Pasteur heeft
aangetoond, dat leven slechts voorkomt uit een levend wezen. Pasteurs experimenten
werden duizenden keren herhaald, steeds met hetzelfde resultaat. De dode stof kan geen
leven voortbrengen. De bewering, dat uit een oersoep door blikseminslag en andere
processen levende wezens ontstonden mist elke experimentele grond.

19. Het complex erfelijke factoren (genoom), vastgelegd in het DNA van elke
biologische grondsoort, de mens inbegrepen, is UNIEK, en STABIEL. De grondsoorten
zijn NIET in elkaar om te zetten. Een schaap wordt geen geit, een kip geen patrijs, mais
wordt geen tarwe, wat men ook probeert. Vierduizend jaren ervaring van veefokkers en
landbouwers bevestigen de stabiliteit en uniekheid van het genoom der grondsoort.
Kruisingen tussen verschillende grondsoorten zijn niet vruchtbaar, als zij al mogelijk zijn.
Een hond paart niet met een geit. Een ezel wel met een paard, maar de afstammeling
(muilezel of muildier) is niet vruchtbaar. Vele honderden experimenten in het biologisch
onderzoek gedurende vele eeuwen bevestigen de stabiliteit en de uniekheid van het
genoom.

20. Het menselijk DNA is veel te complex, en te veel afwijkend van welk ander DNA
dan ook, dat een of ander hoger dier, zoals een mensaap, een voorwezen van de
mens zou kunnen zijn. Men bedenke dat alle mensen - blank of geel, lang of kort, slim of
dom - tot een en dezelfde biologische grondsoort behoren, omdat zij allen onderling
vruchtbaar zijn. Er zijn uit de experimentele wetenschap geen fysische of chemische
processen, en geen omgevingsinvloeden, bekend, welke een omzetting van het DNA van
een hogere diersoort in het DNA van de mens kunnen realiseren. En daar heeft men
eeuwenlang naar gezocht.

21. Dit geldt mutátis mutándis voor alle andere biologische grondsoorten. Mutaties van het
genencomplex zijn mogelijk, bijvoorbeeld door radio-actieve straling, maar deze geven
slechts gedegenereerde vormen van DEZELFDE soort. Conclusie: Biologische
grondsoorten zijn NIET in elkaar om te zetten.

22. Gevolg: De soorten planten, de diersoorten, en de mens zijn per grondsoort zó
ontstaan zoals zij nu zijn. Hòe dat geschiedde, dàt weet de biologie niet.

23. Gevolg: Elke biologische grondsoort MOET van slechts één eerste paar ouders
afstammen. De uniekheid en de stabiliteit van het DNA laten geen andere conclusie
dan het bestaan van een eerste uniek ouderpaar per grondsoort toe.

24. Dit geldt voor olifanten en muizen, voor tijgers en marters. Dit geldt voor alle
grondsoorten. Ook alle mensen stammen van één paar oerouders af. Die oerouders van
de mensheid hadden een genoom, zeer rijk aan erfelijke factoren, welke men heden
terugvindt, verdeeld over de vele rassen en soorten mensen. Daarom zijn mensen zo
verschillend. Hoe dit eerste ouderpaar van elke grondsoort ontstond, weet de biologie niet.

Uit de demografie en de archeologie

25. De DEMOGRAFIE is de leer van de bewoning der aarde door de mensen. Het gaat om de
bewoonbare streken, het klimaat, de voedselvoorziening, de ziektes, de oorlogen, en alle
natuurlijke en culturele factoren welke de aantallen mensen en de plaatsen van verblijf
hebben beïnvloed, tot op heden toe.

26. Demografische computermodellen van de groei van de aantallen mensen op de aarde
gaan uit van de huidige ruim zes miljard mensen, en rekenen dan terug naar het verleden.
Rekening houdend met rampen, oorlogen, voedselschaarste, ziekten en plagen, en met
de klimatologische en agrarische verschillen, bepaalt men per streek een gemiddeld
groeipercentage, wat nog variëert met de tijd, afhankelijk van de bekende
geschiedkundige perioden. Dergelijke zeer complexe computermodellen komen uit -
vertrekkende van ruim zes miljard mensen nu - op één eerste ouderpaar, levend
ongeveer zes- à zevenduizend jaar geleden.

27. Een eenvoudiger berekening, die van grovere aannamen uitgaat, neemt slechte tot
catastrofale levensvoorwaarden aan (weinig voedsel, ongezonde leefomstandigheden), en
schat de gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei op 0,1 % (wat niet met de realiteit
overeenkomt, ze is te laag). Dan komt men, terugrekenend van de huidige ruim zes miljard
mensen, uit op een ouderdom van hoogstens 23.000 jaar. Bij iets hogere, meer reële
groeicijfers, ook nog gedifferentiëerd naar gebieden op aarde en verschillende historische
tijdperken, komt men vanzelfsprekend op een kortere verblijftijd dan 23.000 jaar uit, en wel
op ZES- À ZEVENDUIZEND JAAR.

28. Archeologische onderzoeken naar ARTEFACTEN (stenen en andere
gebruiksvoorwerpen) en de SEDENTATIE (vestigingsvormen in dorpen) tonen aan, dat
de verblijftijd van de mensheid op de aarde niet meer dan hoogstens TIENDUIZEND jaar
kan zijn. Het aantal opgegraven artefacten, en het aantal uitgegraven dorpen, is veel te
klein om een langere verblijftijd aan te kunnen nemen. Zou de mensheid meerdere
tienduizenden jaren op aarde verblijven dan zouden wij overal moeten struikelen over de
artefacten en de restanten van bewoning. Dit doen wij niet, ergo kan de verblijftijd nooit zo
lang zijn. Het aantal wel gevonden artefacten en plaatsen van bewoning en verblijf is
ruwweg duizendmaal te klein om zeer lange verblijftijden aan te kunnen nemen.

29. Een verblijftijd van de mensheid op aarde veel langer dan 6.000 à 10.000 jaren is
onzin. Het is een verzinsel, want de demografische en de archeologische feiten
spreken anders.

Uit de natuurkunde

30. De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica (warmteleer, belangrijk deel van
de fysica) leert, dat in een gesloten systeem de entropie slechts kan toenemen. In de
natuurkunde is de entropie de wanorde op moleculaire schaal. Als men niets doet op de
aarde, valt alles vanzelf in puin. De ordening, die de materie vertoont in een mooi huis,
gebouwd van stenen, verwordt langzamerhand tot de wanorde van een puinhoop, als men
niets doet (de natuurkundige zegt: de entropie neemt toe). Dat gaat vanzelf, al kan het
voor aardse begrippen even duren. Uit deze Hoofdwet volgt, dat er een begin in de tijd
moet zijn. De richting van de tijd verloopt (in een gesloten systeem) in die van
toenemende entropie. Een oneindig durend heelal en een cyclisch heelal zijn onmogelijk.
En, als er een begin is, dan moet er ook een einde zijn.

31. Uit de geofysica en de cosmologie zijn tenminste zeventig (70)
natuurwetenschappelijke experimenten en metingen bekend welke aantonen dat de
BEWOONBARE aarde jong is. De resultaten van die waarnemingen geven leeftijden van de
bewoonbare aarde van enige duizenden tot maximaal ongeveer honderduizend jaar. De
spreiding in de resultaten komt door onzekerheden in de metingen. Het punt van belang is,
dat de resultaten klonteren rond de ZEVEN- À TIENDUIZEND JAAR.

32. Conclusie: Leeftijden van de BEWOONBARE aarde, van planten en dieren, van de
mens, van honderdduizenden en miljoenen jaren zijn natuurwetenschappelijk onzin.
Over de leeftijd van de onbewoonbare aarde kan men geen uitspraken, gebaseerd op
experimentele wetenschap, doen.

DE FYSISCHE INFORMATIELEER

33. De Duitse geleerde Prof. Dr. Werner Gitt heeft de fysische informatieleer ontwikkeld.
Bekend is dat materie en energie niet voldoende zijn om (levens)processen te verklaren.
Er is informatie nodig om te bouwen en te veranderen.

34. Bouwt men een huis dan heeft men stenen (materie) en metselaars (energie) nodig,
plus de tekeningen en het bestek (lastenboek) van de architect (informatie). Groeit een
jonge mens dan heeft deze voedsel en zuurstof nodig (materie en energie) plus het
bouwplan vastgelegd in het DNA (informatie). Overal waar groei en verandering is, kan
men die drie wezenlijke elementen onderscheiden: materie (stof), energie, en informatie.

35. In de moderne informatie- en communicatietechniek (ICT) doet men niets anders dan
informatie verwerken, gewoonlijk vastgelegd op harde schijven, magneetbanden, en USBsticks.
Die informatie is in gecodeerde vorm aanwezig. De informatie is altijd gecodeerd,
en behoeft altijd een drager, en die drager is een vorm van materie. De harde schijf van de
PC draagt de gecodeerde informatie van de computerprogramma's en de data. Evenzo
voor de USB-sticks. Betekent dat nu, dat informatie een materiële grootheid is ? Neen !
Informatie wordt weliswaar altijd gedragen (in gecodeerde vorm) door een of andere vorm
van de materie (de informatiedrager), maar informatie is in se geen materiële grootheid.

36. Informatie is een GEESTELIJKE grootheid, die altijd voortkomt uit een intelligente
zender (een bron met verstand), en gecodeerd gedragen wordt door materie. De bron
van de geestelijke informatie is in de telecommunicatie en de computertechniek altijd de
mens zelf, de ontwerper. Daar valt niet over te twisten. Het is de computerprogrammeur,
die de software maakt, het is de programmeur, welke de intelligente zender (bron) is van
de informatie, welke wordt vastgelegd in code op een informatiedrager. Het is de
computergebruiker, die als intelligente mens zijn data doet vastleggen in gecodeerde vorm
op schijven en sticks.

37. In de biologie is het in beginsel niet anders. De eiwitten van het DNA dragen de
noodzakelijke, gecodeerde, erfelijke informatie over de structuur, het bouwplan, en
het doel van (de cellen) van het levende wezen. Over de BRON van de gecodeerde
genetische informatie, opgeslagen in het DNA van elke grondsoort, kan men WÈL
twisten, dat behoort NIET meer tot de natuurwetenschappen.

38. Immers, de bron van die geestelijke grootheid, de genetische informatie, MOET zich
volgens de fysische informatieleer BUITEN de materie, BUITEN de zuivere biologie, bevinden,
al wordt deze informatie door de eiwitten van het DNA gedragen.

39. De theoloog, die het creatiemodel volgt, spreekt dan over God als intelligente bron, wat
geen natuurwetenschappelijke uitspraak is. De evolutionist houdt het bij het evolutiemodel,
en spreekt over de zelforganisatie, de zelfvorming, en de zelfontwikkeling, van de materie,
wat evenmin een natuurwetenschappelijke uitspraak is.

40. Voor beiden - creationist en evolutionist - geldt, dat, volgens de fysische
informatieleer, de informatie, als geestelijke grootheid, uit een bron met verstand
(intelligentie) MOET komen. Hoe die bron verstaan moet worden is GEEN zuiver
natuurwetenschappelijke uitspraak, het is een filosofisch-theologische uitspraak.
En heel wat verwarring komt er uit voort, dat men dit ONDERSCHEID tussen wat
natuurwetenschappelijk vast staat, en wat NIET meer tot de natuurwetenschappen
behoort, NIET voldoende maakt.

SAMENVATTING

41. Nagegaan werd aan welke vaststaande experimentele gegevens elk ontstaansmodel,
zij dit evolutionistisch, zij het creationistisch, moet voldoen, wil het niet in conflict komen
met de realiteit van de eeuwenoude menselijke ervaring.

42. Met het biologische model werd eerst aangetoond, dat leven slechts ontstaat uit
leven. Uit de dode stof kan geen leven voortkomen.

43. Verder werd in het biologisch model aangetoond, dat omzetting van grondsoorten in
andere soorten onmogelijk is door de UNIEKHEID en de STABILITEIT van het erfelijk complex. En,
dat alle grondsoorten, zoals zij heden zijn, de mens inbegrepen, ontstaan zijn uit één stel
oerouders. Biologische evolutie, dat is het ontstaan van nieuwe grondsoorten, door
natuurlijke oorzaken, welke dan ook, is onmogelijk.

44. Met het demografisch en sedentair model werd aangetoond, dat de verblijftijd van de
mensheid op de bewoonbare aarde niet langer kan zijn dan 10.000 jaar, waarschijnlijk
eerder 6.000 à 7.000 jaar. Verblijftijden van de mensheid van vele tienduizenden jaren of
langer zijn verzinsels.

45. Het natuurkundig model van de thermodynamica bevestigt, dat er een begin in de
tijd moet zijn. Dan bestaat er ook een einde van de tijd.

46. Aangestipt werd, dat het geofysisch model vele aanwijzingen geeft voor een relatief
jonge bewoonbare aarde, eveneens in de orde van 10.000 jaar. Het blijft speculeren over
de leeftijd van een mogelijke onbewoonbare aarde, dat is een koude, niet begroeide bol,
welke geen leven kan dragen.

47. Uit het model der fysische informatieleer wordt duidelijk, dat informatie een nietmateriële,
ja, een geestelijke grootheid is, welke in gecodeerde vorm gebonden is aan de
materie, en altijd voortkomt uit een geestelijke bron, dat is een intelligente bron, een bron
met verstand. In de informatietechniek en andere meer technische ingenieurskunsten is
die geestelijke bron altijd de mens als ontwerper, als programmeur, als gebruiker.

48. Echter, in de biologie kan men wel de gecodeerde informatie in het DNA
onderscheiden, het bouwplan gecodeerd vastgelegd in de materie, te weten in de
aminozuren (eiwitten) van het DNA van de soort, maar WELKE de GEESTELIJKE BRON daarvan is,
kan de biologie ons NIET vertellen. Speculaties daarover behoren tot de filosofie en de

theologie.

49. SAMENVATTEND: De natuurwetenschappen en de ingenieurskunsten geven samen
met de demografie en de archeologie meer dan voldoende experimenteel
vaststaande bewijzen, dat (biologische) (macro)evolutie onmogelijk is, en dat de
lange tijden van miljoenen jaren van de evolutionist voor het bestaan van dier en
mens onzin zijn.

50. Elke geleerde van welke discipline dan ook, creationist of evolutionist, kan (blijven)
geloven in het door hem zelf geconstrueerde ontstaansmodel, ten opzichte van het
bovenstaande kale model uitgebreid met filosofische en theologische premissen, zij het
evolutionistisch, zij het creationistisch, als hij dat wenst. Echter, wil zulk een uitgebreid
ontstaansmodel aanvaardbaar zijn voor ingenieurs en natuurwetenschappers, dan zal
deze geleerde toch een plausibele verklaring moeten geven voor de GEESTELIJKE GROOTHEID,
welke de bron is van de informatie, opgeslagen in het DNA. Slaagt hij daar NIET in, dan zal
zijn uitgebreide model NIET aanvaard (kunnen) worden door de kenners der experimentele
natuurwetenschappen.
●●●

 
 
   
     

 
© 2012 Creatie.info
Joomla! is Free Software released under the GNU General Public License.