|
ART09012801 — Versie 28 januari 2009 HET ONTSTAANSMODEL: BIOLOGISCHE FEITEN Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer Email:
This e-mail address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it
========================================================== HET ONTSTAANSMODEL: BIOLOGISCHE FEITEN
INLEIDING 1. Dit artikel wil - in het lopende Darwinjaar - een bijdrage leveren aan de discussie betreffende het ONTSTAAN van plant, dier en mens, zij dit volgens evolutie, zij dit volgens creatie. Nagegaan wordt welke de EXPERIMENTELE (proefondervindelijke) FEITEN zijn waaraan ELK ontstaansmodel moet voldoen, wil dit vanuit natuurwetenschappelijk standpunt aanvaardbaar zijn.
2. De onderstaande tekst is GEEN pleidooi voor het creationisme, en EVENMIN voor neodarwinistische volutie. Er wordt NIET gesproken over de Bijbel, NOCH over een eventuele Creator. In het artikel worden GEEN filosofische meningen verkondigd, GEEN creationistische, GEEN evolutionistische. De volgende tekst bevat GEEN enkele theologische uitspraak. Er is UITSLUITEND sprake van natuurwetenschappelijke en experimentele feiten, waarnemingen en gegevens, gebaseerd op eeuwenlang veldonderzoek en experimenten, waaraan ELK ontstaansmodel, van welke filosofische mening dan ook, moet voldoen. 3. De ingenieurskunsten en de natuurwetenschappen houden zich bezig met waarnemingen, met experimenten, met feiten. Die feiten moeten controleerbaar zijn, de waarnemingen moeten herhaalbaar zijn. Een model in de experimentele natuurwetenschappen komt slechts tot stand op grond van waarnemingen en experimenten. Zo'n model wordt voortdurend beproefd. Een model is pas betrouwbaar, als elke geleerde, waar ook ter wereld, dit model kan toetsen op betrouwbaarheid door nieuwe experimenten uit te voeren, waarbij geen enkele test de resultaten van het model contesteert. Voor elk model in de natuurwetenschappen geldt overigens, dat één tegenbewijs voldoende is om het model te moeten verlaten, ook al zijn er talrijke bewijzen vóór. 4. Daarom moet men duidelijk onderscheid maken tussen enerzijds experimental science (de experimentele natuurwetenschap), welke werkt met veldonderzoek en laboexperimenten, en anderzijds de forensic science (de forensische wetenschap), welke poogt interpretaties van historische gebeurtenissen te geven aan de hand van tegenwoordige data. 5. In dit artikel wordt beperkt tot de biologische feiten van het ontstaansmodel, plus tot enige elementen uit de demografie en de archeologie, bekend uit experimental science. Het gaat uitsluitend om de vaststaande experimentele feiten van de natuurwetenschappen en de ingenieurskunsten. Wat wordt besproken, staat vast op grond van experimentele natuurwetenschap, op grond van eeuwenoude ervaringen. Er worden geen filosofische, noch theologische, standpunten ingenomen. 6. Tot verrassing van velen zal blijken, dat dit uitgangspunt een definitief inzicht betreffende het ontstaansmodel op zal leveren, zonder dat er ook maar één postulaat of opvatting (betreffende de oorsprong der dingen) uit de filosofie of de theologie bij de bewijsvoering nodig is. En nu het bewijs.
ONTWIKKELINGEN IN DE BIOLOGIE Natuurlijke processen
7. Darwin en de negentiende eeuwse biologen meenden, dat biologische processen van natuurlijke selectie, en genetische mutaties, en nog andere biologische mechanismen, de verandering der soorten planten en dieren in hogere vormen konden verklaren. Dit zou dan geschieden onder invloed van toevalsprocessen, chemische processen, kosmische straling, temperatuur- en drukveranderingen, en andere omgevingsinvloeden, eigen aan de natuur. Daarbij zou het toeval een grote rol spelen, en door de lange tijden van miljoenen jaren zou de ontwikkeling naar hogere vormen mogelijk zijn. 8. Het is onbetwijfelbaar, dat natuurlijke selectie, mutaties, en andere biologische mechanismen bestaan, en tot veranderingen binnen de biologische grondsoorten kunnen leiden. Een biologische grondsoort omvat alle individuen, die onderling kunnen paren, en vruchtbaar zijn. Voorbeelden: De mens, hond, geit, kip. De zeer vele soorten honden en kippen met vele verschillende eigenschappen zijn een bewijs voor de effectiviteit van deze biologische mechanismen. 9. Het is tegenwoordig even onbetwijfelbaar, dat dergelijke processen - de afgelopen 4.000 jaar - nimmer tot een nieuwe grondsoort hebben geleid. Een geit wordt geen schaap, een kip geen patrijs, een aap geen mens. Darwin en zijn tijdgenoten wisten niets van de microbiologie, niets van de genetische biologie, niets van het DNA, welke kennis in de dagen nog niet bestond. Het toeval 10. Latere wetenschappers moesten het toeval als voorwaarde voor nieuwe grondsoorten laten vallen, daar de wiskundige statistiek heeft aangetoond, dat het toeval nimmer als verklaring voor de grote erfelijke veranderingen van een zekere soort naar een hogere soort kan dienen. De wiskundige statistiek leert, dat één gebeurtenis nimmer optreedt, als de kans op het optreden van deze gebeurtenis is 1 op een 1 met 50 nullen [men schrijft dan 1 op 10exp50, exp komt van exponent, bedenk dat 10exp3=1000]. 11. Bij de overgang van een lagere biologische soort naar een hogere soort moeten vele erfelijke veranderingen tegelijkertijd optreden in mannelijke en in vrouwelijke exemplaren, en bestendig zijn in volwassen exemplaren, wil de nieuwe soort zich kunnen handhaven en voortplanten. 12. De evolutionist wil door het invoeren van lange tijden de mogelijkheid van een toevallige verandering suggereren. ‘Het lijkt niet mogelijk, maar als er heel veel tijd is, zal het toch wel eens geschieden,’ zo is de redenering (van de wiskundige leek). 13. De kans op die gelijktijdige en gecombineerde veranderingen in volwassen exemplaren van verschillend geslacht is veel kleiner dan 1 op 10exp50, men denke aan 1 op 10exp250, waardoor dergelijke toevallige veranderingen TOTAAL ONMOGELIJK zijn. Het zijn niet de lange tijden, die de toevallige evolutie mogelijk maken, het zijn de uiterst kleine kansen, die de toevallige evolutie onmogelijk maken.
Omgevingsinvloeden
14. Bleven voor de latere evolutionisten van de negentiende en de twintigste eeuw over als mogelijke natuurkundige omgevingsinvloeden van de geleidelijke evolutie in kleine stappen: radio-actieve straling, temperatuur- en drukveranderingen, electrische invloeden (bliksem), en als biologische invloeden: selectie, mutatie, genetische drift, populatiebeperking.
15. Welnu, de experimentele resultaten van minstens 4.000 jaar veeteelt en plantenteelt hebben aangetoond, dat omgevingsinvloeden geen nieuwe soorten met andere erfelijke eigenschappen dan de bestaande opleveren. Wèl veranderingen binnen de biologische soort, geen nieuwe soorten met andere erfelijke eigenschappen. Ook deze evolutionisten kenden de genetische microbiologie nog niet zo goed als wij dat heden doen. 16. Laboratoriumexperimenten van de laatste paar honderd jaar hebben dit bevestigd. Men kan wel nieuwe types honden kweken, of een ander soort maïs, maar honden blijven honden, en maïs blijft maïs. Moderne labo-exprimenten, met de ingewikkelde en hoogtechnologische technieken van het klonen, leveren wel soorten met andere erfelijke eigenschappen op, maar dat is niet de bekende en veronderstelde natuurlijke ontwikkeling in de wereld der evolutionist.
NATUURWETENSCHAPPELIJKE FEITEN
17. Welnu, laten wij eens samenvatten wat de moderne experimentele wetenschap op grond van de eeuwenlange ervaring van fokkers en kwekers, en op grond van veldexperimenten en laboratoriumproeven, heeft vastgesteld. Laten wij ook de resultaten van het demografische onderzoek, de archeologie, en de fysische informatieleer noteren. Daarna kan men een verrassende conclusie trekken.
Uit de biologie
18. Leven ontstaat slechts uit leven. De bekende Franse geleerde Pasteur heeft aangetoond, dat leven slechts voorkomt uit een levend wezen. Pasteurs experimenten werden duizenden keren herhaald, steeds met hetzelfde resultaat. De dode stof kan geen leven voortbrengen. De bewering, dat uit een oersoep door blikseminslag en andere processen levende wezens ontstonden mist elke experimentele grond.
19. Het complex erfelijke factoren (genoom), vastgelegd in het DNA van elke biologische grondsoort, de mens inbegrepen, is UNIEK, en STABIEL. De grondsoorten zijn NIET in elkaar om te zetten. Een schaap wordt geen geit, een kip geen patrijs, mais wordt geen tarwe, wat men ook probeert. Vierduizend jaren ervaring van veefokkers en landbouwers bevestigen de stabiliteit en uniekheid van het genoom der grondsoort. Kruisingen tussen verschillende grondsoorten zijn niet vruchtbaar, als zij al mogelijk zijn. Een hond paart niet met een geit. Een ezel wel met een paard, maar de afstammeling (muilezel of muildier) is niet vruchtbaar. Vele honderden experimenten in het biologisch onderzoek gedurende vele eeuwen bevestigen de stabiliteit en de uniekheid van het genoom.
20. Het menselijk DNA is veel te complex, en te veel afwijkend van welk ander DNA dan ook, dat een of ander hoger dier, zoals een mensaap, een voorwezen van de mens zou kunnen zijn. Men bedenke dat alle mensen - blank of geel, lang of kort, slim of dom - tot een en dezelfde biologische grondsoort behoren, omdat zij allen onderling vruchtbaar zijn. Er zijn uit de experimentele wetenschap geen fysische of chemische processen, en geen omgevingsinvloeden, bekend, welke een omzetting van het DNA van een hogere diersoort in het DNA van de mens kunnen realiseren. En daar heeft men eeuwenlang naar gezocht.
21. Dit geldt mutátis mutándis voor alle andere biologische grondsoorten. Mutaties van het genencomplex zijn mogelijk, bijvoorbeeld door radio-actieve straling, maar deze geven slechts gedegenereerde vormen van DEZELFDE soort. Conclusie: Biologische grondsoorten zijn NIET in elkaar om te zetten.
22. Gevolg: De soorten planten, de diersoorten, en de mens zijn per grondsoort zó ontstaan zoals zij nu zijn. Hòe dat geschiedde, dàt weet de biologie niet.
23. Gevolg: Elke biologische grondsoort MOET van slechts één eerste paar ouders afstammen. De uniekheid en de stabiliteit van het DNA laten geen andere conclusie dan het bestaan van een eerste uniek ouderpaar per grondsoort toe.
24. Dit geldt voor olifanten en muizen, voor tijgers en marters. Dit geldt voor alle grondsoorten. Ook alle mensen stammen van één paar oerouders af. Die oerouders van de mensheid hadden een genoom, zeer rijk aan erfelijke factoren, welke men heden terugvindt, verdeeld over de vele rassen en soorten mensen. Daarom zijn mensen zo verschillend. Hoe dit eerste ouderpaar van elke grondsoort ontstond, weet de biologie niet.
Uit de demografie en de archeologie
25. De DEMOGRAFIE is de leer van de bewoning der aarde door de mensen. Het gaat om de bewoonbare streken, het klimaat, de voedselvoorziening, de ziektes, de oorlogen, en alle natuurlijke en culturele factoren welke de aantallen mensen en de plaatsen van verblijf hebben beïnvloed, tot op heden toe.
26. Demografische computermodellen van de groei van de aantallen mensen op de aarde gaan uit van de huidige ruim zes miljard mensen, en rekenen dan terug naar het verleden. Rekening houdend met rampen, oorlogen, voedselschaarste, ziekten en plagen, en met de klimatologische en agrarische verschillen, bepaalt men per streek een gemiddeld groeipercentage, wat nog variëert met de tijd, afhankelijk van de bekende geschiedkundige perioden. Dergelijke zeer complexe computermodellen komen uit - vertrekkende van ruim zes miljard mensen nu - op één eerste ouderpaar, levend ongeveer zes- à zevenduizend jaar geleden.
27. Een eenvoudiger berekening, die van grovere aannamen uitgaat, neemt slechte tot catastrofale levensvoorwaarden aan (weinig voedsel, ongezonde leefomstandigheden), en schat de gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei op 0,1 % (wat niet met de realiteit overeenkomt, ze is te laag). Dan komt men, terugrekenend van de huidige ruim zes miljard mensen, uit op een ouderdom van hoogstens 23.000 jaar. Bij iets hogere, meer reële groeicijfers, ook nog gedifferentiëerd naar gebieden op aarde en verschillende historische tijdperken, komt men vanzelfsprekend op een kortere verblijftijd dan 23.000 jaar uit, en wel op ZES- À ZEVENDUIZEND JAAR.
28. Archeologische onderzoeken naar ARTEFACTEN (stenen en andere gebruiksvoorwerpen) en de SEDENTATIE (vestigingsvormen in dorpen) tonen aan, dat de verblijftijd van de mensheid op de aarde niet meer dan hoogstens TIENDUIZEND jaar kan zijn. Het aantal opgegraven artefacten, en het aantal uitgegraven dorpen, is veel te klein om een langere verblijftijd aan te kunnen nemen. Zou de mensheid meerdere tienduizenden jaren op aarde verblijven dan zouden wij overal moeten struikelen over de artefacten en de restanten van bewoning. Dit doen wij niet, ergo kan de verblijftijd nooit zo lang zijn. Het aantal wel gevonden artefacten en plaatsen van bewoning en verblijf is ruwweg duizendmaal te klein om zeer lange verblijftijden aan te kunnen nemen.
29. Een verblijftijd van de mensheid op aarde veel langer dan 6.000 à 10.000 jaren is onzin. Het is een verzinsel, want de demografische en de archeologische feiten spreken anders.
Uit de natuurkunde
30. De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica (warmteleer, belangrijk deel van de fysica) leert, dat in een gesloten systeem de entropie slechts kan toenemen. In de natuurkunde is de entropie de wanorde op moleculaire schaal. Als men niets doet op de aarde, valt alles vanzelf in puin. De ordening, die de materie vertoont in een mooi huis, gebouwd van stenen, verwordt langzamerhand tot de wanorde van een puinhoop, als men niets doet (de natuurkundige zegt: de entropie neemt toe). Dat gaat vanzelf, al kan het voor aardse begrippen even duren. Uit deze Hoofdwet volgt, dat er een begin in de tijd moet zijn. De richting van de tijd verloopt (in een gesloten systeem) in die van toenemende entropie. Een oneindig durend heelal en een cyclisch heelal zijn onmogelijk. En, als er een begin is, dan moet er ook een einde zijn.
31. Uit de geofysica en de cosmologie zijn tenminste zeventig (70) natuurwetenschappelijke experimenten en metingen bekend welke aantonen dat de BEWOONBARE aarde jong is. De resultaten van die waarnemingen geven leeftijden van de bewoonbare aarde van enige duizenden tot maximaal ongeveer honderduizend jaar. De spreiding in de resultaten komt door onzekerheden in de metingen. Het punt van belang is, dat de resultaten klonteren rond de ZEVEN- À TIENDUIZEND JAAR.
32. Conclusie: Leeftijden van de BEWOONBARE aarde, van planten en dieren, van de mens, van honderdduizenden en miljoenen jaren zijn natuurwetenschappelijk onzin. Over de leeftijd van de onbewoonbare aarde kan men geen uitspraken, gebaseerd op experimentele wetenschap, doen.
DE FYSISCHE INFORMATIELEER
33. De Duitse geleerde Prof. Dr. Werner Gitt heeft de fysische informatieleer ontwikkeld. Bekend is dat materie en energie niet voldoende zijn om (levens)processen te verklaren. Er is informatie nodig om te bouwen en te veranderen.
34. Bouwt men een huis dan heeft men stenen (materie) en metselaars (energie) nodig, plus de tekeningen en het bestek (lastenboek) van de architect (informatie). Groeit een jonge mens dan heeft deze voedsel en zuurstof nodig (materie en energie) plus het bouwplan vastgelegd in het DNA (informatie). Overal waar groei en verandering is, kan men die drie wezenlijke elementen onderscheiden: materie (stof), energie, en informatie.
35. In de moderne informatie- en communicatietechniek (ICT) doet men niets anders dan informatie verwerken, gewoonlijk vastgelegd op harde schijven, magneetbanden, en USBsticks. Die informatie is in gecodeerde vorm aanwezig. De informatie is altijd gecodeerd, en behoeft altijd een drager, en die drager is een vorm van materie. De harde schijf van de PC draagt de gecodeerde informatie van de computerprogramma's en de data. Evenzo voor de USB-sticks. Betekent dat nu, dat informatie een materiële grootheid is ? Neen ! Informatie wordt weliswaar altijd gedragen (in gecodeerde vorm) door een of andere vorm van de materie (de informatiedrager), maar informatie is in se geen materiële grootheid.
36. Informatie is een GEESTELIJKE grootheid, die altijd voortkomt uit een intelligente zender (een bron met verstand), en gecodeerd gedragen wordt door materie. De bron van de geestelijke informatie is in de telecommunicatie en de computertechniek altijd de mens zelf, de ontwerper. Daar valt niet over te twisten. Het is de computerprogrammeur, die de software maakt, het is de programmeur, welke de intelligente zender (bron) is van de informatie, welke wordt vastgelegd in code op een informatiedrager. Het is de computergebruiker, die als intelligente mens zijn data doet vastleggen in gecodeerde vorm op schijven en sticks.
37. In de biologie is het in beginsel niet anders. De eiwitten van het DNA dragen de noodzakelijke, gecodeerde, erfelijke informatie over de structuur, het bouwplan, en het doel van (de cellen) van het levende wezen. Over de BRON van de gecodeerde genetische informatie, opgeslagen in het DNA van elke grondsoort, kan men WÈL twisten, dat behoort NIET meer tot de natuurwetenschappen.
38. Immers, de bron van die geestelijke grootheid, de genetische informatie, MOET zich volgens de fysische informatieleer BUITEN de materie, BUITEN de zuivere biologie, bevinden, al wordt deze informatie door de eiwitten van het DNA gedragen.
39. De theoloog, die het creatiemodel volgt, spreekt dan over God als intelligente bron, wat geen natuurwetenschappelijke uitspraak is. De evolutionist houdt het bij het evolutiemodel, en spreekt over de zelforganisatie, de zelfvorming, en de zelfontwikkeling, van de materie, wat evenmin een natuurwetenschappelijke uitspraak is.
40. Voor beiden - creationist en evolutionist - geldt, dat, volgens de fysische informatieleer, de informatie, als geestelijke grootheid, uit een bron met verstand (intelligentie) MOET komen. Hoe die bron verstaan moet worden is GEEN zuiver natuurwetenschappelijke uitspraak, het is een filosofisch-theologische uitspraak. En heel wat verwarring komt er uit voort, dat men dit ONDERSCHEID tussen wat natuurwetenschappelijk vast staat, en wat NIET meer tot de natuurwetenschappen behoort, NIET voldoende maakt.
SAMENVATTING
41. Nagegaan werd aan welke vaststaande experimentele gegevens elk ontstaansmodel, zij dit evolutionistisch, zij het creationistisch, moet voldoen, wil het niet in conflict komen met de realiteit van de eeuwenoude menselijke ervaring.
42. Met het biologische model werd eerst aangetoond, dat leven slechts ontstaat uit leven. Uit de dode stof kan geen leven voortkomen.
43. Verder werd in het biologisch model aangetoond, dat omzetting van grondsoorten in andere soorten onmogelijk is door de UNIEKHEID en de STABILITEIT van het erfelijk complex. En, dat alle grondsoorten, zoals zij heden zijn, de mens inbegrepen, ontstaan zijn uit één stel oerouders. Biologische evolutie, dat is het ontstaan van nieuwe grondsoorten, door natuurlijke oorzaken, welke dan ook, is onmogelijk.
44. Met het demografisch en sedentair model werd aangetoond, dat de verblijftijd van de mensheid op de bewoonbare aarde niet langer kan zijn dan 10.000 jaar, waarschijnlijk eerder 6.000 à 7.000 jaar. Verblijftijden van de mensheid van vele tienduizenden jaren of langer zijn verzinsels.
45. Het natuurkundig model van de thermodynamica bevestigt, dat er een begin in de tijd moet zijn. Dan bestaat er ook een einde van de tijd.
46. Aangestipt werd, dat het geofysisch model vele aanwijzingen geeft voor een relatief jonge bewoonbare aarde, eveneens in de orde van 10.000 jaar. Het blijft speculeren over de leeftijd van een mogelijke onbewoonbare aarde, dat is een koude, niet begroeide bol, welke geen leven kan dragen.
47. Uit het model der fysische informatieleer wordt duidelijk, dat informatie een nietmateriële, ja, een geestelijke grootheid is, welke in gecodeerde vorm gebonden is aan de materie, en altijd voortkomt uit een geestelijke bron, dat is een intelligente bron, een bron met verstand. In de informatietechniek en andere meer technische ingenieurskunsten is die geestelijke bron altijd de mens als ontwerper, als programmeur, als gebruiker.
48. Echter, in de biologie kan men wel de gecodeerde informatie in het DNA onderscheiden, het bouwplan gecodeerd vastgelegd in de materie, te weten in de aminozuren (eiwitten) van het DNA van de soort, maar WELKE de GEESTELIJKE BRON daarvan is, kan de biologie ons NIET vertellen. Speculaties daarover behoren tot de filosofie en de
theologie.
49. SAMENVATTEND: De natuurwetenschappen en de ingenieurskunsten geven samen met de demografie en de archeologie meer dan voldoende experimenteel vaststaande bewijzen, dat (biologische) (macro)evolutie onmogelijk is, en dat de lange tijden van miljoenen jaren van de evolutionist voor het bestaan van dier en mens onzin zijn.
50. Elke geleerde van welke discipline dan ook, creationist of evolutionist, kan (blijven) geloven in het door hem zelf geconstrueerde ontstaansmodel, ten opzichte van het bovenstaande kale model uitgebreid met filosofische en theologische premissen, zij het evolutionistisch, zij het creationistisch, als hij dat wenst. Echter, wil zulk een uitgebreid ontstaansmodel aanvaardbaar zijn voor ingenieurs en natuurwetenschappers, dan zal deze geleerde toch een plausibele verklaring moeten geven voor de GEESTELIJKE GROOTHEID, welke de bron is van de informatie, opgeslagen in het DNA. Slaagt hij daar NIET in, dan zal zijn uitgebreide model NIET aanvaard (kunnen) worden door de kenners der experimentele natuurwetenschappen. ●●●
|