door Robert Newton in Creation 25(4). vertaling AH, Werkgroep In Genesis
Het ‘verre sterlicht probleem’ wordt soms gebruikt als een argument tegen de Bijbelse schepping. Mensen die in miljarden jaren geloven beweren vaak, dat licht van de verst afgelegen melkwegstelsels onmogelijk de aarde bereikt kan hebben in 6000 jaar. Het argument van de licht-reistijd kan niet worden gebruikt om de Bijbel te verwerpen ten gunste van de ‘big bang’ (de theorie van de Grote Knal/Oerknal) met zijn miljarden jaren. Want het ‘big bang’ model heeft ook een lichtreistijd probleem. De achtergrond In mei 1964 ontdekten Penzias en Wilson dat de wereld baadt in een zwakke microgolfstraling, schijnbaar afkomstig uit de verst afgelegen waarneembare delen van het heelal. Hiervoor kregen zij de Nobelprijs voor natuurkunde in 1978. [1] Deze Kosmische Microgolf Achtergrondstraling (KMA) komt uit alle richtingen in de ruimte en heeft een karakteristieke temperatuur.[2], [3] Terwijl deze KMA een succesvolle voorspelling van het ‘big bang’ model werd genoemd [4], is het in feite een probleem voor de ‘big bang’. De precies uniforme temperatuur van de KMA veroorzaakt namelijk een lichtreistijd probleem voor ‘big bang' modellen met betrekking tot de oorsprong van het heelal. Het probleem De temperatuur van de KMA is in essentie overal dezelfde, [5] in alle richtingen (met een precisie van 1 deel per 100,000).[6] Echter, (volgens ‘big bang’ theoretici) de temperatuur van de KMA [7] in het vroege heelal zou zeer verschillend zijn geweest op verschillende plaatsen in de ruimte vanwege de toeval-structuur van de oorspronkelijke regionale gesteldheid. Deze verschillende gebieden konden tot dezelfde temperatuur komen als zij in contact met elkaar waren. Verafgelegen gebieden zouden in evenwicht komen door uitwisseling van straling (bijv. licht [8]). De straling zou energie overdragen van warmere gebieden naar koudere totdat zij dezelfde temperatuur zouden hebben.  1: Vroeg tijdens de ‘big bang’ hadden de punten A en B verschillende temperaturen. 2: Vandaag de dag hebben A en B dezelfde temperatuur, en toch is er niet voldoende tijd geweest om licht uit te wisselen. | Het probleem is dit; zelfs uitgaande van de tijdschaal van de ‘big bang’, is er onvoldoende tijd is geweest voor de reis van het licht tussen de ver van elkaar afgelegen gebieden in de ruimte. Dus hoe kan het dan dat de verschillende gebieden van de huidige KMA zulke precies uniforme temperaturen hebben als zij nooit met elkaar in contact waren? [9] Dit is het lichtreistijd probleem. [10] Het ‘big bang’ model veronderstelt dat het heelal vele miljarden jaren oud is.Alhoewel deze tijdschaal voldoende is voor de lichtreistijd van afgelegen melkwegstelsels naar de aarde, is het niet genoeg tijd om van de ene kant van de ruimte te reizen naar de andere zijde van het zichtbare heelal. Toen het licht uitgezonden werd, volgens de veronderstelling 300,000 jaar na de ‘big bang’ had de ruimte al een uniforme temperatuur over een afstand van tenminste tien keer zo groot als de afstand die het licht zou hebben kunnen afleggen (genaamd de ‘horizon’) [11] Hoe kan het dan dat deze gebieden op elkaar kunnen lijken, bijv. dezelfde temperatuur hebben? Hoe kan één kant van het zichtbare heelal de andere kant ‘kennen’ als er onvoldoende tijd was voor de uitwisseling van informatie? Dit wordt het ‘horizon’ probleem genoemd. [12] Veel seculiere astronomen hebben oplossingen voor dit probleem voorgesteld, maar niet één voldeed tot nu toe (Zie kader: Pogingen om het lichtreistijd-probleem van de ‘big bang’ op te lossen hieronder). Samenvatting De ‘big bang’ vereist dat gebieden in het zichtbare heelal die tegenover elkaar liggen, energie moeten hebben uitgewisseld door straling. Deze gebieden in de ruimte zien er gelijk uit op KMA kaarten. Maar er is niet genoeg tijd geweest ..... [artikel]
|