|
Monday, 09 March 2009 10:14 |
De Wekker. Fundamenteel Moeten we echt aan de andere kant beginnen? – deel 1 van 3. Deel 2 [artikel] Deel 3 [artikel] Door J.W. Maris
Sedert een aantal jaren bestaat er een tendens in kerk en theologie om vooral in te steken bij de praktijk van het leven, en pas van daaruit naar de bijbelse gegevens te gaan. De oude reformatorische overtuiging dat eerst de Schrift ons moet leren denken en leren kijken voordat we een positie innemen lijkt ‘uit’ te zijn. Dit is (heel) kort gezegd het onderwerp waarover een drietal artikelen zal gaan.
De schepping Om een voorbeeld te geven dat zonder twijfel ieder aanspreekt, noem ik het recente rumoer over het geloof in de schepping. Daar is op zichzelf genoeg over te schrijven, maar wat rond dit thema is losgemaakt onder christenen – de EO, Andries Knevel, discussies in de dagbladen - maakt wel duidelijk wat er speelt. De bijbelse gegevens die in het geding zijn worden versmald tot ongeveer Genesis 1 en 2. Dat God de Schepper, en daarom nog altijd de eigenaar van zijn schepping is, komt nauwelijks ter sprake. Dat de realiteit van Gods handelen in de schepping en onderhouding van de wereld bijbels gezien nauw verbonden is met de verlossing in Christus Jezus wordt niet genoemd. En dat de Zoon zonder Wie ook de schepping niet tot stand is gekomen (Johannes 1:3), in de weg van zijn wederkomst en oordeel ook gaat over de toekomst van Gods schepping, wordt eveneens buiten haakjes gezet.
De vraag is geworden: Kunnen wij, wanneer we het hebben over de oorsprong van de aarde en de levensvormen daarop, buiten de resultaten van de natuurwetenschappen om, en met name van de evolutietheorie - waarin het toeval de beslissende rol speelt? Als de beslissing op die vraag positief uitgevallen is, kunnen de geloofsuitgangspunten niet meer richtinggevend zijn. Hebreeën 11:3 - ‘Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord van God tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare’ – past niet meer in dat nieuwe punt van vertrek.
Voor alle duidelijkheid: ik bedoel hiermee niet te zeggen dat er geen gesprek tussen geloof en wetenschap moet of kan plaatsvinden. Ik bedoel ook niet, dat de wetenschap geen aanleiding mag geven om nog eens goed te luisteren naar wat Gods Woord wil zeggen. Ik bedoel alleen aan te duiden, dat er een omkering van prioriteiten plaats lijkt te vinden, waarbij de beslissingen vallen in de praktijk van de wetenschap, maar ook van andere ervaringsterreinen in het leven. Overtuigde creationisten hebben zich inmiddels via een positie als aanhangers van een ‘Intelligent Design’ ontwikkeld naar een overtuiging die ‘theïstisch evolutionisme’ heet. De inhoud van dat ‘theïstisch’ kan intussen niet meer zo duidelijk vanuit de Bijbel worden ingevuld… In deze artikelen kijken we wel wat breder dan alleen de vragen rond het geloof in de schepping.
‘Sluiers over de Schrift’ Om die bredere lijnen te kunnen trekken put ik onder meer uit een boek dat al een paar jaar geleden verscheen. De titel, met ondertitel, is Sluiers over de Schrift. Uitkomen in een andere wereld? en het is geschreven door drs. R. van der Ven. De achtergrond van de schrijver verklaart de bewogenheid waarmee hij schrijft. Hij was als natuurarts diep verwikkeld in occulte praktijken totdat hij daar door Gods genade afstand van heeft genomen toen hij in 1989 tot geloof kwam in de Here Jezus Christus. Toen hij zijn praktijk sloot heeft het nog diverse jaren gekost om helemaal uit het occulte vaarwater te geraken. Van der Ven heeft zijn weg naar een consequent leven met Christus eerder beschreven in een getuigenis Niemand anders dan Jezus alleen (1993). In een boek Van kwaal tot erger (1997) tekent hij de achtergrond van een aantal occulte geneeswijzen. In 2003 verscheen Dossier T.B. Joshua. Genezing in breder perspectief, een boek dat de Nigeriaanse profeet-gebedsgenezer Joshua aan de kaak stelt als een wonderdoener wiens gaven uit de verkeerde bron opkomen. Deze boeken verschenen bij Buijten & Schipperheijn.
Nadat Van der Ven tot geloof gekomen was, werd hem het boek van Willem J. Ouweneel aanbevolen, Het domein van de slang, dat een krachtige ontmaskering biedt van een heel spectrum aan occulte stromingen. Het bevatte voor Van der Ven veel herkenbaars uit zijn eigen occulte verleden. Begrijpelijk, dat hij met interesse volgde wat Ouweneel nog meer publiceerde. De interesse veranderde vervolgens in grote bezorgheid met het oog op de verbazingwekkende veranderingen in het denken van Ouweneel, en ook met het oog op de invloed die deze talentvolle geestelijke leidsman uitoefent.
Ziedaar het motief van het boek Sluiers over de Schrift. Het focust op de ontwikkeling van Willem Ouweneel waarin deze geheel tegengestelde dingen schrijft en doet in vergelijking met de Ouweneel van de jaren 1980 en daarvoor. Het geeft een intensieve bespreking van een aantal geschriften van Ouweneel en daarbij een schat aan informatie uit de ideologische en geestelijke wereld die Van der Ven heeft leren doorzien en die in Willem Ouweneels veranderde visie juist een steeds sterkere rol zijn gaan spelen. In dat opzicht is het een pijnlijk boek. Van der Ven spreekt Ouweneel aan als broeder, en tegelijk is zijn boek heel scherp in de afwijzing van bronnen waar Ouweneel juist uit is gaan putten. Uitvoerig citeert hij met instemming wat Ouweneel in Het domein van de slang schreef over de occulte psychiater C.G. Jung en diens theorieën, en vraagt vervolgens hoe het bestaat dat Ouweneel nu met grote waardering een aantal theorieën van Jung toepast, ook al neemt Ouweneel uiteraard niet Jungs religieuze positie over. Het is begrijpelijk en ook noodzakelijk dat zulke vragen worden gesteld. Zeker ook als er met reden bij wordt betoogd, dat zulke veranderde opvattingen metterdaad functioneren als sluiers over de Schrift. Het boek van Van der Ven biedt een schat aan informatie over een veelheid van onderwerpen op geestelijk, medisch, psychologisch en filosofisch terrein. Reeds om die reden is het, mede door de hulp van een uitvoerig register, een aanbevolen bron van kennis wanneer iemand zaken tegenkomt uit de wereld van het paranormale en van diverse geestelijke stromingen en daar meer licht over wil hebben. Het gaat mij intussen in deze artikelen om de aanwijzing van een aantal factoren die niet alleen bij Ouweneel, maar bij meer christenen – theologen en andere wetenschappers – tot een heel andere manier van denken hebben geleid.
Een andere visie op Gods Woord Willem Ouweneel is een zeer vruchtbaar schrijver, die voortdurend ook rekenschap geeft van veranderingen in zijn denken. Daarom is het ook mogelijk om, zoals Van der Ven gedaan heeft, de veranderde visies in kaart te brengen. Van der Ven geeft onomwonden aan dat hij ongelukkig is met de gewijzigde visies van Ouweneel, en daar was Ouweneel in zijn reactie op Sluiers over de Schrift niet blij mee. Ik wil daar niet in onderdelen tussen gaan zitten. Het gaat mij vooral om enkele hoofdlijnen in de ontwikkelingen, en die tekenen zich niet alleen bij Ouweneel af. Bovendien is de bezorgdheid van Van der Ven betreffende de invloeden van postmoderne en New Age-achtige religieuze fenomenen goed gefundeerd. Hij weet in dat opzicht goed waarover hij spreekt.
Enkele factoren in de ontwikkeling van Ouweneel hebben te maken met door hemzelf beschreven perioden van psychische crisis. Hij is door een diep individuatieproces heen gegaan, dat hem tot een existentieel verstaan van de waarheid bracht. De waarheid is voor hem sindsdien niet meer op een rationele manier aan de Bijbel te ontlenen. Er is afstand gekomen tussen het hart en het verstand, en evenzeer tussen het hart en de leer. Voor Ouweneel moet het niveau van het geloof onderscheiden worden van dat van de leer. Hij kan geen begrip meer hebben voor mensen die (te) strak in de leer zijn. Een uitspraak van hem is bijvoorbeeld: ‘Ik beleef de rijkdom van de oecumene van het hart en daar horen de geestesgaven bij.’
Kennelijk vallen de beslissingen op het niveau van het hart, dat boven het gezag van de Schrift en boven de leer van het kerkelijk belijden uitgaat. We mogen ons hierbij realiseren dat een dergelijke houding breder herkenbaar is. Als de synode van de Gereformeerde Gemeenten zegt, dat gesprekken met andere kerken niet op basis van de overeenstemming over Schrift en de belijdenis plaats moeten vinden, maar veel meer op basis van geestelijke herkenning, dan is dat eenzelfde soort beweging. Maar dat tussen haakjes. Ouweneel heeft uitgelegd, dat we af moeten van de rationele denkwijze over de waarheid. Voor hem is het geloof alles. We stemmen hem dat van harte toe. De manier waarop geloof en verstand bij hem echter tegenover elkaar komen te staan, is wel een probleem. Bij Ouweneel krijgt men de indruk dat theologie als verstandswerk bij voorbaat de fout in kan gaan. Een ‘goed’ theoloog hoeft nog geen goed christen te zijn. Feitelijk heeft Ouweneel de hele systematische theologie veroordeeld, omdat die ten onrechte ervan uitgaat dat de Schrift ons materiaal zou geven voor theologische modellen die waar zijn. Er is niet zoiets als ‘objectieve’ waarheid op grond van de Schrift.
Ouweneel tendeert er inderdaad naar geloof en verstand, en evenzeer Schrift en theologie, uit elkaar te trekken. Als het verstand echter onder de tucht van het geloof functioneert, in onderwerping aan de Bijbel, kan naar mijn overtuiging wel degelijk aan de ‘leer der waarheid’ recht wordt gedaan. Bij Ouweneel is er intussen een Schriftbenadering gekomen, die afstand ziet tussen het eeuwige Woord van God en de tijdelijke Bijbel. Dat schept ruime voor een verstaan van Gods Woord dat boven de omgang met de Schriften uitgaat. Daar zullen we nog wat voorbeelden van zien. Of intussen Van der Ven niet te argeloos van ‘objectieve’ waarheid spreekt, is een andere vraag. Er zijn in een verstandelijk, ‘objectief’, omgaan met Gods Woord net zo goed mogelijkheden van dwaling.
|
|