-
dat de verwerving en toepassing van wetenschappelijke kennis van grote economische en sociale betekenis is in onze maatschappij;
-
dat wetenschapsbeoefening niet mogelijk is zonder het hanteren van een interpretatiekader (paradigma, set vooronderstellingen of uitgangspunten);
-
dat dit interpretatiekader een bepaalde betekenis toekent aan onderzoeksgegevens en van invloed is op de richting van nieuw onderzoek;
-
dat de keuze van interpretatiekader een subjectieve keuze is, die op grond van voorwetenschappelijke overwegingen wordt gemaakt;
-
dat het wetenschappelijke model dat op het fundament van het interpretatiekader wordt gebouwd niet gelijkgesteld mag worden aan de feiten of aan waarheid;
-
dat een wetenschappelijk model nooit voor “bewezen” kan doorgaan, maar hoogstens voor meer of minder “passend bij de feiten”; (punten 2 t/m 6 zijn genoegzaam bekend uit de wetenschapsfilosofie)
-
dat er internationaal op het terrein van de wetenschappen over de oorsprong van het heelal en het leven twee verschillende interpretatiekaders met bijbehorende modellen bestaan, namelijk het interpretatiekader van miljarden jaren durende evolutie enerzijds en het interpretatiekader van schepping enige duizenden jaren geleden anderzijds;
-
dat de modellen die bij beide interpretatiekaders horen tot stand zijn gekomen door gebruik te maken van de wetenschappelijke methode;
-
dat de modellen die bij beide interpretatiekaders horen niet gepresenteerd mogen worden als feiten of als waarheid;
-
dat echter in Nederland binnen het wetenschappelijk onderzoek, de wetenschapsvoorlichting en het onderwijs het model gebaseerd op het interpretatiekader van de miljarden jaren durende evolutie doorgaans wel als feit of als waarheid wordt gepresenteerd;
-
dat dit model doorgaans als enige oorsprongsmodel gebruikt wordt binnen het wetenschappelijk onderzoek, de wetenschapsvoorlichting en het onderwijs;
-
dat het gevolg daarvan is dat het model gebaseerd op het interpretatiekader van schepping enige duizenden jaren geleden doorgaans niet aan bod komt binnen het wetenschappelijk onderzoek, de wetenschapsvoorlichting en het onderwijs;
-
dat kinderen en volwassen burgers recht hebben op informatie en een eigen mening maar op deze wijze slechts eenzijdig geïnformeerd worden en niet tot vrije meningsvorming kunnen komen;
-
dat in een samenleving waar vrijheid van meningsuiting een hoog goed is ook vrijheid van meningsvorming een even hoog goed zou moeten zijn;
-
dat de situatie genoemd in de punten 10 t/m 13 misbruik van wetenschap betekent en onvrijheid in denken;
-
dat eenzijdige toepassing van het interpretatiekader van evolutie de ogen sluit voor de interpretatiewijze binnen het alternatieve model en feiten die niet binnen het evolutiekader passen niet kan verklaren of zelfs negeert;
-
dat deze eenzijdige toepassing van het evolutie-interpretatiekader tot suboptimale (soms uiterst gebrekkige) verklaringen van de fysieke werkelijkheid leidt gepaard gaande met aantoonbaar technisch falen, economische verliezen, miskenning of zelfs herschrijven van de geschiedenis, verlies van zingeving en morele beleving in de samenleving, en emotionele schade door uitsluiting en carrièrebreuk;
-
dat deze eenzijdige toepassing van het evolutie-interpretatiekader doorwerkt in de visie op diverse andere wetenschappelijke en maatschappelijke vraagstukken waaronder de waarde van menselijk leven, de verhouding mens-natuur en het klimaat;
-
dat een benadering die open is naar beide interpretatiekaders tot een betere verklaring van de fysieke werkelijkheid leidt, technisch falen kan beperken of voorkomen, economische verliezen kan beperken of voorkomen, geen behoefte heeft geschiedenis te miskennen of herschrijven, verlies van zingeving en morele beleving in de samenleving beperkt, en minder of geen emotionele schade door uitsluiting en carrièrebreuk veroorzaakt;
-
dat een benadering die open is naar beide interpretatiekaders niet meer dan logisch en billijk is zodra men eerlijk onderscheid maakt tussen feiten enerzijds en interpretaties anderzijds;
-
dat het eerlijk onderscheid maken tussen feiten en interpretaties geen inbreuk vormt op het beginsel van academische vrijheid, maar juist tegemoetkomt aan het gevoelde gemis aan kritische reflectie binnen de wetenschappen en helpt om die vrijheid optimaal te benutten;
-
dat het de taak van de overheid is om kaders te stellen waarbinnen wetenschapsbeoefening ten dienste van de samenleving optimaal kan functioneren.